Zuidnederlands Woordenboek

Walter De Clerck (1981)

Gepubliceerd op 03-02-2023

gij

betekenis & definitie

Pers. vnw. 2de pers. enk. en mv., uitsl. in de 1ste nv. In de standaardt. thans alleen in zeer bijz. stijl (bijv. in de bijbelt.).

‘Kunnen ze niet spreken gelijk gij en ik?’ vraagt ze. ‘En wie is die andere, dat kleine mannetje?’ BOON 1975, 17.

Indien ge voelt dat de alkohol voor u een probleem geworden is dan is de A.A. iets voor U, Reklamegids 9/12/1976.

„Kijk, hier worden ieder jaar bedevaarders doodgereden”. „Daar moogt ge allemaal niet aan denken”, antwoordde de jongen, Nieuwsblad 31/5/1977.

Dat was tenminste sport! Ge moest toen zelf het model optrekken met een lier van 50 meter, Gazet v. Antw. 5/7/1977.

Sam.: gijlie, gijle, gewest, ook gulle, gulder enz., pers. vnw. 2de pers. mv. (Wilt gijlie nog meer? BONI 1948, 254. Wat wilde gulder drinken. Ge zijt er vroeg bij. Het zal schoon weer worden, PAUWELS 1971, 10).