Zuidnederlands Woordenboek

Walter De Clerck (1981)

Gepubliceerd op 03-02-2023

aflopen

betekenis & definitie

1. In verb. met komen: aanlopen.

Als ze in een dorp kwamen, hielden ze stil op de markt en speelden daar wat schoone airkens. Het volk kwam afgeloopen en bekeek die moede, bestoven mannen, WALSCHAP 1935, 21.

Uit koleire plunderden de hongerlijdenden dan in de ongastvrije streken de rapenvelden.... Wanneer de boeren dan met dreigementen afgelopen kwamen, riep men de tussenkomst in van de Duitse bewakingsoldaten, BRULEZ 1950, 150.

2. (Een lijst) doornemen, doorlopen; - een zaak aflopen, beredderen, al het geloop ervoor doen.

De volledige lijst (totaal 95 namen) van de te veranderen straten werd afgelopen, zonder dat enige inspraak van de oppositie geduld werd, Gazet v. Antw. 4/7/1977.

< >