Jacob van Lennep

Zeemans-woordenboek 1856

Gepubliceerd op 11-07-2022

Stroom

betekenis & definitie

z.n.m.

1. Hoeveelheid water, die zich met meer of mindere snelheid in een bepaalde richting beweegt. Geregelde stroomen (die door de beweging des aardbols, of door de bewerking van regelmatige winden, of door de zon ontstaan.) Veranderlijke stroomen (die aan wisselingen onderhevig zijn.) Tegen den stroomen op- of ingaan. Het bed, de bedding van een stroom (de ruimte, door welke hy gewoonlijk vloeit.) Door den stroom medegevoerd worden, afdrijven. Die stroom loopt N. knoopen (heeft de snelheid van N.) Op stroom Uggrn.

Die tegen stroom zijn schuitje roeit

Dient nimmermeer te zijn vermoeid.

Cats.

2. Vloed, rivier, die in zee uitloopt. De Rijnstroom; de Gangesstroom (de Rijn, de Ganges.) De uitleggers zijn gelegd op alle onze stroomen.
3. Stroomen voor: “de zee.” De zilte stroomen.

Spreekwijze: Den stroom volgen (denken of handelen gelijk de menigte doet). tIs doodstroom (er is geen handel, geen bedrijvigheid: om dat een doode stroom gelijk staat met een stilstaand water). Zoo zegt Hooft:

De winden zonder toom

Aan 't rennen schut ik kort en maak een dooden stroom.