XYZ van Amsterdam

Geschreven door J. Kruizinga Gerrit Vermeer, 2002

Gepubliceerd op 22-06-2018

Stadsmuur

betekenis & definitie

Stadsmuur - Evenals de oudste huizen was ook de oudste muur om de stad van hout. Zij was gebouwd op de wal, die aan de binnenzijde van het water was opgeworpen dat in de 14de eeuw de stadsgrens en tevens de verdedigingsgracht vormde, nl. Wetering (N.Z. Voorburgwal), Spui*, Grim en de gracht die aan de oostzijde gegraven was (O.Z. Voorburgwal).

Burgwal* was dus de wal ter verdediging van de burg (stad); de houten palissade erop heette de "sciltraminge". Bij de toegangswegen aan de "kerkzijde" (Oude Zijde*) en aan de "windmolenzijde" (Nieuwe Zijde*) stond een poorthuis, evenals bij het Spui het Bindwijkerpoorthuis stond. Ook toen omstreeks 1380 de achterburgwallen werden gegraven (de N.Z. en de O.Z. Achterburgwal), zijn deze poorthuizen blijven staan. Een eeuw later was de stad zodanig uitgebreid (de nieuwe stadsgrens was Singel, Kloveniersburgwal en Geldersekade), dat ook nieuwe verdedigingswerken moesten worden opgetrokken. In 1478 had Maximiliaan van Oostenrijk het beheer over het graafschap Holland gekregen, en daar hij A. als zijn voornaamste steunpunt tegen Utrecht beschouwde, voorzag hij de stad van een ommuring. In 1481 werd met het bouwen van de nieuwe stadsmuur begonnen, ditmaal van steen, die van stenen poortgebouwen en verdedigingstorens voorzien werd. De Sint Antoniespoort* stamt nog uit die tijd (1488). Ook de Schreierstoren* en het onderste deel van de Munttoren* zijn overblijfselen van deze verdedigingsgordel. De torens Svych Wtrecht* (waar nu het Doelenhotel* staat), het Rondeel* (ter plekke van het huidige Hotel De l'Europe*), de Haringpakkerstoren* (op de hoek van de Prins Hendrikkade en de Haarlemmersluis) en de Jan Roodenpoortstoren* (op de Torensluis) bestaan niet meer.

De uitbreidingen* van 1585 en 1593, waarbij vooral in het oosten van de stad een groot oppervlak erbij kwam, maakten weer nieuwe vestingwerken noodzakelijk. Nu werd echter in plaats van een stenen muur de toentertijd nieuwe methode toegepast van een bemetselde wal met vooruitspringende bolwerken*, waaromheen de Singelgracht gegraven werd. Met de aanleg van deze bolwerken was reeds in 1578 begonnen bij de toenmalige Haarlemmerpoort* en deze wal werd allengs verder doorgetrokken, tot bij het Kadijksplein. De oude muur werd in 1601 afgebroken, maar een paar torens bleven behouden en werden van nieuwe spitsen voorzien, waarin uurwerken en klokken werden geplaatst. De toenemende bloei van de stad in de 17de eeuw had de beide grote uitbreidingen van 1612 en van 1658 ten gevolge, die de stad de halvemaanvorm gaven. Weer was het een wal, ditmaal echter niet met 12, maar met 26 bolwerken*, die het geheel zou omgeven, met in een wijde boog daaromheen de Buitensingel*. Het is een enorme arbeid geweest, het optrekken van deze omwalling op meer dan 1.000 gemetselde bogen, het bouwen van de bolwerken en niet het minst het bouwen van een rij nieuwe poorten en doorgangen door de wal, van noordwest naar noordoost: de Haarlemmerpoort, het Zaagmolenpoortje en het Raampoortje* (beide waldoorgangen), de Leidsepoort*, de Weteringpoort* (ook een waldoorgang), de Utrechtsepoort*, de Weesperpoort* en de Muiderpoort*. Al voor 1816 was een groot gedeelte van de stadswal geslecht.

In 1840 was dit werk voltooid (zie ook: Schans). De vestingpoorten (met uitzondering van de Muiderpoort) werden afgebroken en door barrières vervangen. Alleen de Haarlemmerpoort werd in 1840 nog eens nieuw gebouwd. In 1994 werd door de stadsarcheoloog Jan M. Baart bij opgravingen aan de Nieuwezijdskolk een vondst van delen van de oude stadswal van 1304 gemeld. Dezelfde opgraving leidde tot de ontdekking van muurresten, die aanvankelijk aangezien werden voor restanten van het kasteel Van Aemstel*. In 2000 werd tijdens werkzaamheden op het Funen* een deel van de oostelijke omwalling uit 1658 opgegraven.

LIT. Dr L. Jansen, De oude stadsmuur van Amsterdam, O.A. 1965, 76; id., Nog eens de stadsmuur, O.A. 1965, 252; M.C. Emeis jr, Amsterdam in en om 1475: bemuurd en bekroond, O.A. 1975, 98; Peter Prins, De ontmanteling van Amsterdam, Jb. Amstelodamum 1993, 91-132; Peter-Paul de Baar, Feest rond restje stadsmuur, O.A. 1999, 252; Raoul Serrée, Amsterdam ommuurd, 1999.