XYZ van Amsterdam

Geschreven door J. Kruizinga Gerrit Vermeer, 2002

Gepubliceerd op 22-06-2018

Amsterdamse School

betekenis & definitie

Amsterdamse School - Stroming in de architectuur en aanverwante beeldende kunsten die vooral rond het begin van de jaren twintig in Nederland heerste. De term werd voor het eerst gebruikt in 1916 door J. Gratama (1877- 1947) in een artikel over H.P. Berlage*.

Omdat deze periode, net na de Eerste Wereldoorlog, veel bouwactiviteiten kende in geheel A. en bovendien de stadsomvang zich fors uitbreidde (naar het zuiden met het Plan Zuid en naar het noordwesten met bijvoorbeeld de Spaarndammerbuurt*), draagt het huidige centrumgebied van A. een stevig stempel van deze kortstondige expressionistische school. Tot de stroming behoorden C.J. Blaauw (1885-1947),

G.J. Boterenbrood (1886-1932), J.C. van Epen (1880-1960), D. Greiner (1891-1964), A.R. Hulshoff (1880-1958), Hildo Krop* (1884- 1970), M. de Klerk* (1884-1923), P.L. Kramer* (1881-1961), M. Staal-Kropholler* (1891-1966), G.F. Lacroix (1877-1923), J.M. van der Mey* (1878-1949), A. Moen (1879-1950), G.J. Rutgers (1877-1962), J.F. Staal* (1879-1940), P.

Vorkink (1878-1960), F.A. Warners (1888- 1952), A.J. Westerman (1884-1966) en H.Th. Wijdeveld* (1885-1987). In meer dan vierhonderd straten, aan pleinen en op bruggen in A. zijn voorbeelden van hun werk aan te wijzen. Enige kenmerken zijn: veel baksteenversieringen, holle en bolle rondingen en in- en uitspringende geveldelen, aandacht voor detail, "ladderramen" en veelvuldig gebruik van beeldhouwwerk.

De bekendste bouwwerken zijn het Scheepvaarthuis* aan de Prins Hendrikkade, gebouwd tussen 1913 en 1916 naar ontwerp van Jan van der Mey, de huizen van de woningbouwvereniging Eigen Haard in de Spaarndammerbuurt (1921, met het beroemde "Schip"*, het voormalig postkantoor, van Michel de Klerk) en die van woningbouwvereniging De Dageraad in de Burgemeester Tellegenstraat-P.L. Takstraat (1922, De Klerk en Kramer). Ook kwamen er ter verfraaiing van het stadsbeeld girobussen, lantaarnpalen, urinoirs, huisnummerbordjes, brievenbussen en bruggen in de Amsterdamse Schoolstijl. In de schilderkunst wordt ook gesproken van een A'damse school, hoewel het, zoals door A.M. Hammacher (directeur van het Haags Gemeentemuseum) in zijn studie "Amsterdamsche impressionisten en hun kring" (1942) wordt betoogd, juister was om te spreken van een A'dams verband, omdat de doelstellingen van de kunstenaars die zich in de jaren tachtig en negentig van de 19de eeuw in A. samentrokken, onderling zeer verschillend waren. Breitner* en Willem Witsen* waren hiervan de voornaamste representanten.

LIT. R. Blijstra, Nederlandse Bouwkunst na 1900, 1957; M. Ree, Piet Kramer, O.A. 1970, 9; JJ. Vriend, Amsterdamse School, 1970; Egbert Ottens, 75 jaar volkshuisvesting, O.A. 1990, 226 en 282; R. de Roy van Zuydewijn, Over smaak valt veel te twisten, O.A. 1991, 262; Ph. Spangenberg, Het eerste Amsterdamse torenhuis, O.A. 1993, 245; Pieter Lodewijk Kramer: architect van de Amsterdamse school 1861-1961, 1994.