Woordverklaring

Dr. L.M. Metz - 1937

Gepubliceerd op 18-08-2020

Veem

betekenis & definitie

Een vereeniging, welke zich ten doel stelt, koopmansgoederen op te slaan, te bewerken en te verzenden.

Veemen zijn echt oud-Amsterdamsche instellingen, welke zijn voortgekomen uit het gilde der waagdragers. Die waagdragers waren verdeeld in rotten of veemen (veem is een middel-Nederlandsch woord, dat vereeniging beteekent). Ieder veem bediende zijn eigen koopman, die zijn mannen herkende aan hun bijzondere hoeden (blauwhoeden, bonthoeden, purperhoeden, groenhoeden, klapmutsen). Dat gebruik leeft nog voort bij de kaasdragers te Alkmaar. De kooplieden hadden oorspronkelijk hun pakhuis op den zolder van hun eigen woning; later gingen zij er afzonderlijke pakhuizen op na houden. Toen kwamen er openbare pakhuizen, waaruit de tegenwoordige veemen zijn voortgekomen (in het Duitsch en Engelsch heet een veem een openbaar pakhuis).

De veemen beperken zich niet meer tot opslaan alleen; zij belasten zich ook met uitpakken, wegen, tarreeren, mengen, zuiveren, pellen, inpakken en veilen. Vaak zijn voor die bewerkingen kostbare inrichtingen noodig.

Belangrijk voor den handel is, dat de veemen bewijzen van gerechtigdheid aan den eigenaar der goederen uitgeven. Men noemt die bewijzen veemceelen en deze zijn handelspapier geworden. De koopman kan op zijn veemceel bij banken geld krijgen.

Verscheidene oude veemen zijn opgeheven. Het Klapmutsenveem en het Bonthoedenveem zijn vereenigd tot het Nederlandsche Veem, dat dertig pakhuizen heeft.

Het Purperhoedenveem, dat in het bijzonder is ingericht op de machinale bewerking van koffie en zaden, heeft zeven schilderachtige pakhuizen aan de Prinsengracht. Het Blauwhoedenveem is zeer bekend.