Woordverklaring

Dr. L.M. Metz - 1937

Gepubliceerd op 18-08-2020

Tabbaard

betekenis & definitie

Tabbert. Mansbovenkleed met wijde mouwen, dat tot aan de voeten hing en door overheidspersonen, geleerden, en personen van hoogen rang als ambtsgewaad of statiekleed gedragen werd.

Een voortzetting van die dracht vindt men tegenwoordig in de toga der professoren, predikanten, rechters en advocaten. Eertijds waren de hoogleeraren verplicht, hun colleges te geven, gekleed in den tabbaard en bij de promotie droeg de candidaat zulk een statiekleed van zijde met mouwen, versierd met fluweelen omslagen. „De man met den tabbaard” was eertijds de overheidspersoon. „Wie droeg den tabbaard met zooveel luister!” zong de dichter Poot. Ook schout en schepenen droegen hem, wanneer zij recht spraken. Men sprak van een statietabbaard en van een tafeltabbaard. Ook vrouwen droegen een lang bovenkleed van denzelfden naam.Tot de 15de eeuw ontving de ambtenaar, behalve zijn salaris, een stuk laken, waarvan hij zijn ambtskleedij moest laten maken. Later veranderde dat gebruik en ontving hij een bedrag in geld „voor een tabbaard laken”. De stadsgeneesheer van Amsterdam kreeg als jaarloon acht ponden Vlaamsch en twee ponden voor een tabbaardlaken. Nog later kocht men echter geen tabbaard meer voor het geld; het werd langzamerhand alleen gegeven, als erkenning van de waardigheid.

Bij schippers had men het zelfde gebruik; zij ontvingen eerst, behalve hun loon, een kap en daarna een som geld „voor een kaplaken”. En nog tegenwoordig hoort men hier en daar spreken van kaplaken voor emolument.

Het algemeene gebruik van den tabbaard is verdwenen; de tegenwoordige toga had echter tabbaard kunnen blijven heeten.

In Zuid-Afrika leeft het woord echter voort in de beteekenis van jurkje. „Waschbare tabbertjes” ziet men in de kranten aangekondigd.