Woordverklaring

Dr. L.M. Metz - 1937

Gepubliceerd op 18-08-2020

Pijp (paarden)

betekenis & definitie

Het gedeelte van het voorbeen van een paard, tusschen knie en koot (afb. blz. 34), overeenkomend met de middelhand van den mensch. De beenderen van de pijp bestaan uit het ronde pijpbeen en de twee dunne griffelbeenderen, achter de pijp gelegen.

De, achter het pijpbeen gelegen pezen, geven mede aan de pijp een plat aanzien. De pijp zelf mag niet rond zijn. Platte, breede, droge pijpen ziet men gaarne. Is de pijp te smal, dan spreekt men van spillebeenen. Bij edele rassen is de pijp gewoonlijk droger dan bij de zware rassen, die een dikkere huid en vochtiger onderhuidsch celweefsel hebben. De pijp moet verder kort zijn, de bovenarm daarentegen lang.

De stand van de pijp behoort loodrecht te wezen. Als de knieën doorzakken, is de pijp niet loodrecht meer.