Woordverklaring

Dr. L.M. Metz - 1937

Gepubliceerd op 18-08-2020

Peuren (visscherij)

betekenis & definitie

Peuren, pooieren. Aal vangen met een peur.

Een peur is een bos wormen aan draden geregen met een stopnaald, zoodanig, dat een draad door de lengte van den worm gaat. Men bindt den bos pieren aan een dun touwtje van 70 cm lengte. Op het bosje pieren laat men een stuk glinsterend lood rusten. Het andere einde van het touw wordt aan een stokje van 30 cm lengte gebonden. Men neemt nu bij het peuren het stokje als een hengel in de hand, laat het bundeltje pieren buiten de peurschuit zakken tot dicht bij den grond. Zoodra een aaltje bijt, voelt men een schudding in de hand.

Men haalt voorzichtig op; het aaltje laat los en valt in de schuit. Men heeft bij het peuren een binnenwind (W.-wind) of stil weer noodig. De aal, die men vangt, is bijzonder dun. De Leidsche wevers zijn van ouds bekend om hun liefhebberij voor deze sport.