Woordverklaring

Dr. L.M. Metz - 1937

Gepubliceerd op 18-08-2020

Pandbeslag (rechten)

betekenis & definitie

Beslag, dat de verhuurder van een onroerend goed in geval van wanbetaling van den huurder, mag leggen op de zich in of op het goed bevindende goederen, ook die, welke aan een ander toebehooren. Deze goederen hebben voorrecht voor de betaling van de huur, d.w.z. uit de opbrengst bij gerechtelijke verkooping moet eerst de huurschuld en kunnen daarna pas de andere schulden voldaan worden.

Wanneer de huurder de goederen van het onroerend goed heeft weggevoerd, kan de verhuurder gedurende korten tijd na de wegvoering (14 dagen voor goederen ter stoffeering en 40 dagen voor goederen behoorend tot een landhoeve) nog beslag laten leggen (art. 758—763 Wb. v. Burgerl. Strafvordering).

Na het pandbeslag worden de goederen verkocht, wanneer de rechtbank het beslag geldig heeft verklaard.