Woordverklaring

Dr. L.M. Metz - 1937

Gepubliceerd op 18-08-2020

Palmhout

betekenis & definitie

Hout van den palmboom, de maagden- of boerenpalm, buxus sempervirens, die in ons klimaat dwergachtig is, doch in zuidelijker streken tot zware hoornen uitgroeit. Van ouds was Aalsmeer de plaats, waar palmboompjes voor heggen en perkranden werden gekweekt.

Men snoeide ze daar tot dierfiguren en voerde ze dan naar Amerika uit. Tegenwoordig beschouwt men die boomen als knutselwerk.Het palmhout, dat uit Zuidelijke streken wordt aangevoerd is geel, zeer fijn en hard en geschikt voor draaiwerk (afb. blz. 85). Men maakt er deurknoppen en handvatsels voor gereedschappen van. Verder ook kamwielen, fluiten, doozen en cliché’s voor houtsneden. Men sprak vroeger van buksboomenhout, van busseboom en van bosboom.