Woordverklaring

Dr. L.M. Metz - 1937

Gepubliceerd op 18-08-2020

Nekkramp

betekenis & definitie

Besmettelijke ziekte van de zachte hersenvliezen en ruggemergsvliezen. Nekkramp werd in 1900 voor het eerst als zoodanig in ons land herkend.

In 1917 was er een epidemie, die vooral in het garnizoen te Rotterdam kwaadaardig was. De ziekte heeft een ontwikkelingstijd van 2—3 dagen en openbaart zich dan plotseling met hoofdpijn, braken, stijfheid en krampen in den nek, soms met bewusteloosheid. Zij wordt veroorzaakt door een ronde bacterie, een diplococcus, welke men in de keel aantreft. Deze bacterie vermenigvuldigt zich langs bloedvaten en weivaten en tast de hersenvliezen aan. Men vindt haar dan ook in het ruggemergsvocht. Door niezen en hoesten wordt de bacterie verspreid.

Soms vindt men haar in de keelholte van gezonde personen, die dan gevaarlijke smetstofdragers zijn. Dat deze personen niet ziek worden, vindt zijn oorzaak in de geringe vatbaarheid van volwassenen. De sterfte bedraagt omstreeks 50 %, soms volgt de dood zeer snel. In 1922 kwamen in ons land 132 gevallen voor, waarvan er 69 doodelijk verliepen. Meestal begint de ziekte in den winter. Zij komt veel voor bij jonge menschen onder de arme bevolking.

Schoolepidemieën zijn in ons land niet voorgekomen, ofschoon opeenhooping van menschen gevaarlijk is, wanneer de ziekte heerscht. Doofheid is een belangrijke naziekte van nekkramp. De bacterie kan zich n.1 door de Eustachiaansche buis verplaatsen naar het middenoor, dat dan gaat etteren. Men vindt dan de bacterie in den etter van het loopoor. Andere naziekten zijn longontsteking en oogspierverlamming. De wet op de besmettêlijke ziekten is op nekkramp van toepassing verklaard, met uitzondering van het kenmerk op de woning.

Ontsmetting van het huis is overbodig, daar de verwekker buiten het lichaam spoedig sterft. Slechts de ontsmetting van zakdoeken en beddegoed zou nut kunnen hebben.