Woordverklaring

Dr. L.M. Metz - 1937

Gepubliceerd op 18-08-2020

Mond- en klauwzeer

betekenis & definitie

Een zeer besmettelijke ziekte bij het vee, veroorzaakt door een smetstof, welke door de fijnste filters heengaat en daardoor niet kan gekweekt worden, evenmin als dat bij mazelen, hondsdolheid, pokken en griep het geval is. Waarschijnlijk is zij dus een kleine Bacterie, welke ook met het mikroskoop niet te zien is.

Gewoonlijk kwam de ziekte uit het Oosten en verspreidde zich dan over ons land, heerschte daar een paar jaar, waarna wij weer vier of vijf jaren vrij waren. Later bleek echter, dat in de zgn. vrije jaren ons land niet geheel vrij was, ten hoogste een enkel jaar.De schade, welke de ziekte veroorzaakt, is buitengewoon groot. De staatscommissie van 1919 schatte de schade in één jaar op 30 millioen gulden door sterfte, verminderde melkopbrengst en door naziekten. Men moet aannemen, dat de besmetting van dier op dier geschiedt en dat de smetstof kan worden overgebracht door derden en door het voedsel. Anderzijds ziet men, dat de ziekte zich zoo snel uitbreidt, dat het is, alsof de smetstof door den wind wordt meegevoerd, evenals men dat bij griep verondersteld heeft. Vele koppels worden tegelijk besmet en in vele gemeenten werden tot vijftien gevallen op één dag aangegeven bij den burgemeester.

De ontwikkelingstijd is 5—10 dagen en de ziekte begint met rillingen, koorts, witte plekken in den mond en op de lippen, tong en keel. Er ontstaan dan blaren, waarin zich voornamelijk de smetstof bevindt. De melkgift daalt, de klauwen gaan zweren en de spenen zijn ook aangedaan. Uierontsteking, sterke misvorming der klauwen, kloven in de spenen zijn de bekende naziekten. Bij melkkoeien is de ziekte het ergst en daar de meeste koeien in het voorjaar kalven, is de ziekte dan het meest gevreesd. Zulke dieren zijn door het kalven verzwakt, en vatbaarder voor besmetting; voorts zal bij een versche koe de uier eer in ontsteking geraken.

Evenals in het buitenland bestaat er in ons land een wetenschappelijke inrichting ter bestudeering dezer ziekte : de Rijksseruminrichting te Rotterdam. Evenals elders is het daar gelukt, de smetstof te kweeken. Bij de bestudeering van de ziekte is nu gebleken, dat mest, urine, melk, speeksel reeds 40 uur, voordat men iets aan het dier bemerkt, de smetstof bevatten. Pas daarna komt de koorts. Reeds spoedig na een kunstmatige besmetting met de ziekte zijn melk en urine besmettelijk gebleken.

In de inrichting te Rotterdam wordt een geneesserum bereid, dat 8 dagen onvatbaarheid geeft bij gezonde dieren. Dat serum is dus bij marktbezoek van waarde en ook bij de bestrijding der sterfte van jong vee bleek het goed te werken. Inspuiting van verzwakt gif geeft echter geen onvatbaarheid. Afmaking van het aangetaste vee in het begin van de epidemie leek het beste, maar na een proefneming is gebleken, dat dit middel niet doeltreffend was. In Engeland wordt deze wijze van bestrijding nog toegepast; in dit land heeft dan ook daarvoor een zeer gunstige ligging en men moet er zich alleen nog over verwonderen, dat het telkens weer door de ziekte bezocht wordt, niettegenstaande dat levend vee en pas geslacht vee niet ingevoerd mogen worden.

De mensch is vrijwel onvatbaar voor monden klauwzeer. In den tijd, dat de ziekte zóó algemeen heerschte, dat in sommige streken geen melk van gezonde dieren was te krijgen en de geheele bevolking melk van zieke dieren gebruikte, vernam men nimmer nadeelige gevolgen ervan. Wel zijn de boeren van meening, dat huidaandoeningen aan de handen door het gif der ziekte veroorzaakt worden, maar nimmer is daarvan iets met zekerheid gebleken. Eer zou men kunnen aannemen, dat die aandoeningen door koepokken veroorzaakt worden, omdat de mensch zeer gevoelig voor koepokken is en deze ziekte aan de spenen schijnt voor te komen. In den laatsten tijd zijn er enkele gevallen van blaren aan den mond en aan de vingers, gepaard met algemeen ziek zijn, beschreven en men meende, dat dit ziektebeeld genoeg met mond- en klauwzeer overeenkwam, om aan te nemen, dat daar werkelijk een besmetting met deze ziekte aan ten grondslag lag. De weinige dierproeven, welke in zulke gevallen verricht werden, hebben echter de veronderstelling niet bevestigd.

Van aandoeningen van de huid, gepaard met zwellingen van de vingers met een klein blaartje erop, zijn ook eenige gevallen waargenomen. Bij deze gevallen bleef echter het lichaam gezond en zulke gevallen zijn nog moeilijker met mond- en klauwzeer in verband te brengen.

Varkens en schapen zijn minder vatbaar dan koeien; soms ziet men ze gezond en wel tusschen het zieke vee op de weide loopen. Er zijn echter epidemien, waarbij deze dieren terstond in erge mate worden aangetast en er vaak aan sterven ook.

Als het beste middel ter voorkoming der ziekte en beperking van de uitbreiding geldt de ontsmetting van den stal met 1,5 % natronloog. Men mengt die loog met kalk, om beter te kunnen waarnemen, waar men ontsmet heeft. Zonder die ontsmetting blijft het gif nog maanden lang werkzaam in den stal. Ook is gebleken, dat verdund zwavelzuur en verdund zwaveligzuur goede ontsmettingsmiddelen zijn, terwijl creoline onwerkzaam is.

Om melk te ontsmetten, is verwarming ervan even boven 50 graden reeds voldoende.

Gewoonlijk is een dier, dat de ziekte doorstaan heeft, eenige maanden onvatbaar, maar ook komt het voor, dat een koe de ziekte tweemaal achter elkaar krijgt. Dit kan worden verklaard door het feit, (te Rotterdam gevonden), dat er twee vormen van smetstof bestaan. De onvatbaarheid voor één van die vormen geeft geen beschutting tegen den tweeden vorm. Het einde der epidemie komt, nadat de gevallen zeldzamer geworden zijn, hetzij door onvatbaarheid of door verzwakking van de smetstof.

Daar de ziekte in het voorjaar meer gevreesd wordt dan in herfst en winter, heeft men wel een bestrijdingswijze toegepast, welke gericht was op opzettelijke besmetting in het najaar, nadat men door voorbehoedende inspuiting het verloop goedaardig had gemaakt. Op deze wijze verkreeg men in het voorjaar onvatbare dieren. Behandeling met geneesserum is van twijfelachtige waarde; wel is het nuttig het serum in het voorjaar in te spuiten ten einde de ziekte naar den wintertijd te verschuiven.