Woordverklaring

Dr. L.M. Metz - 1937

Gepubliceerd op 18-08-2020

Maarschalk

betekenis & definitie

De maarschalk was eertijds bij de oude Fransche koningen de opzichter der paarden. Het woord is gevormd uit „mar”: paard (vergel: merrie) en schalk (knecht).

De maarschalk was dus de opperstalmeester. Andere hofambten waren die van drossaard (naar den letter: de ambtenaar, die in het gevolg zit) de spijsdrager; verder: die van schenker, broodbezorger, kameraar (schrijver).Langzamerhand werden die benamingen titels van hoogwaardigheidsbekleeders. Men had die eertijds ook in de rijke abdijen en bij het domkapittel. Elk van deze ambtenaren had daar het bestuur over een afdeeling der huishouding en aan elk van die ambten was het genot van de inkomsten van belangrijke abdijgoederen verbonden, hetgeen er toe meewerkte, dat deze ambten in handen kwamen van aanzienlijke personen, die zich alleen bij plechtige gelegenheden met den dienst inlieten en het werk lieten doen door personen van minderen rang.

De Franschen namen den maarschalkstitel over voor den bekleeder van een hoogen militairen rang boven dien van generaal. In Engeland waren de maarschalken eertijds kwartiermeesters, militairen van lageren rang, die voor het onderdak der soldaten moesten zorgen. Thans kent men in Engeland den titel van veldmaarschalk als opperbevelhebber van het leger, van luchtmaarschalk, als opperbevelhebber van de luchtvloot. Provoostmaarschalk als hoofd van den strafzakendienst in een groot garnizoen. Hofmaarschalk als het hoofd der hofhuishouding.

In Amerika zijn de maarschalken burgerlijke ambtenaren, die hulp verleenen aan de reizende rechtbanken. Ook tijdelijke politieambtenaren worden daar zoo genoemd. In Rusland kende men vroeger den Maarschalk van Adel: het hoofd van een Hoogen Raad van Adel.

Bij ons bestaat de titel niet; wel als familienaam.