Woordverklaring

Dr. L.M. Metz - 1937

Gepubliceerd op 18-08-2020

Lameroen (touwslager)

betekenis & definitie

Een ijzeren oog met een daarin gemakkelijk draaibaar haakje (wartel). De touwslager bevestigt de einden van 2—4 draden, waaruit het touw zal bestaan, aan het lameroen.

Hij loopt dan met zijn draden naar het einde van de baan; hij loopt dus de draden uit tusschen lameroen en twijnwiel. Opdat de draden den grond niet zullen raken, zijn daartusschen krikken geplaatst, dat zijn staken met dwarsarmen erop. Op die krikken zijn houten pennen gestoken en de touwslager legt nu den draad telkens tusschen twee van die houten pennen. Aan het einde van de baan bevestigt hij de einden van de draden aan klosjes, die gedraaid kunnen worden met behulp van een wiel. De klosjes draaien dus eiken draad ineen. Dan loopt hij de baan terug en neemt de draden van de krikken af. De draden, die sterk gewrongen zijn, draaien dan vanzelf met het lameroen als draaipunt tot een touw ineen.