Woordverklaring

Dr. L.M. Metz - 1937

Gepubliceerd op 18-08-2020

Iepenziekte

betekenis & definitie

Iepziekte. Ziekte der iepenboomen, die veroorzaakt wordt door een zwam, groeiend in de houtvaten, welke water en zouten door den boom voeren.

Deze zwam vormt in die vaten een gomachtige stof, die ze verstopt, zoodat de bladeren gaan verwelken en de takken verdorren. Veelal blijven de bladeren aan de toppen der takken het langst in leven, waardoor vaantjes gevormd worden. De ziekte is ongeneeslijk. Begieting der wortels houdt weliswaar den watertoevoer eenigszins gaande, maar geneest de ziekte niet. In 1919 is ze voor 't eerst in ons land, waar meer iepen groeien dan in andere landen, waargenomen en bestudeerd. In 1925 was ze hier heerschend.

Rotterdam had in 1920 24 duizend iepenboomen, waarvan vóór 1932 de helft gerooid moest worden. Reeds vroeger had men groote iepensterfte waargenomen zonder de oorzaak te kennen. In 1884 stierven alle iepen in het Hydepark te Londen. In 1836 gingen alle iepen te Brussel dood. In 1858 te Kuilenburg, Nijmegen en Utrecht.De kennis der ziekte danken we geheel aan Nederlandsche vrouwen. Spierenburg heeft in 1925 de ziekte beschreven, Schwartz te Amsterdam vond in een bepaalde zwam den verwekker; Westerdijk, Roepke, Bertram, Buisman hebben de studie voortgezet en daarbij kunnen vaststellen, dat het de iepenspintkevers zijn, die de ziekte overbrengen. Men spreekt daarom in het buitenland van de Nederlandsche iepziekte. Sommige schrijvers hebben den naam niet begrepen en meenen, dat de uitbreiding der ziekte van Nederland is uitgegaan. Hoe dit zij, de iepziekte heeft zich over geheel Europa uitgebreid. Alleen Denemarken en Schotland zijn nog vrij gebleven.

Meestal zijn het boomen van 10—40 jaar, dus van middelbaren leeftijd, welke aangetast worden. Men ziet op de doorsnede van de takken bruine vlekken en stippen; de zwam met haar zwamdraden en de gevormde gom in de houtvaten en in de omgeving daarvan.

De zwam doet geen kwaad aan de bruikbaarheid van het hout, dat buitengewoon geschikt is voor wagens en voor meubelen. Voor betimmeringen en voor voorwerpen, welke aan het weer zijn blootgesteld, is iepenhout niet geschikt. Tengevolge van de veelvuldige rooiingen is het iepenhout goedkoop geworden. Men plant thans veel lindeboomen, waar men anders iepen zou hebben geplant en hierdoor is de prijs van lindeboomen sterk gestegen.

De iepenspintkevers zijn kleine, glimmende, zwartbruine torretjes van gedrongen lichaamsbouw, welke zich boren in den bast van zwakke (reeds aangetaste) iepenboomen, om daar eieren te leggen en zich te voeden met weefsel tusschen schors en spint. Gezonde boomen kunnen ze geen kwaad doen, omdat de krachtige sapstroom uit de gemaakte opening hun het verder werken belet. Aan de binnenzijde van de schors, welke van gestorven boomen afvalt, kan men zien hoe de kever heeft geleefd. Men ziet er de eigenaardige vreetfiguren op. Een middengang is die van de wijfjeskever en de daarvan afgaande zijgangen, welke loodrecht op de moedergang staan, zijn de gangen der larven, kleine witte wormpjes, welke zich aan het eind van de gang hebben verpopt. De jonge kevers, welke zich uit deze larven ontwikkelen, hebben zich daarna door de schors heen naar buiten geboord en men ziet de zuiver ronde gaatjes in de schors.

De jonge kevers vliegen terstond naar de toppen van naburige gezonde iepen en eten aan de twijgen, welke zij besmetten met de sporen van de zwam, meegebracht van den ouden zieken boom. De schimmel gaat dan groeien in de houtvaten, van boven naar beneden. Zoo komt het, dat men soms de zwarte stippen en strepen wel ziet aan de hooggelegen deelen van den boom en niet aan de onderste houtdeelen.

Na eenige maanden evenwel is de zwam tot in den wortel afgedaald. Men heeft dat alles kunnen nagaan door kunstmatige besmettingen, welke tevens hebben geleerd, dat er soorten van iepen zijn, welke onvatbaar voor de ziekte zijn. De zwam laat zich zeer gemakkelijk kweeken en voor besmettingsproeven gebruiken.

Men kweekt thans onvatbare iepensoorten door griffeling van enthout, afkomstig uit Japan, op onderstammen van den Hollandschen iep. Ter bestrijding van de ziekte is het goed de zieke boomen te vellen en de schors te vernietigen. Bestrijken met ruwe carbolineum is ook voldoende gebleken om de iepenspintkevers te weren. Eigenaren van iepen kunnen in ons land gedwongen worden, op grond van het KB van 18 April 1930, om stervende iepen te rooien. Het opsporen van die boomen is opgedragen aan het Staatsboschbeheer en aan den plantenziektekundigen dienst. Elk jaar worden duizenden boomen aangewezen.