Woordverklaring

Dr. L.M. Metz - 1937

Gepubliceerd op 18-08-2020

Baak (bouwkunde)

betekenis & definitie

Een baak is een ronde of vierkante stok met een ijzeren punt, op afstanden van 50 cm beurtelings rood en wit geschilderd. Men gebruikt een baak bij het opmeten van een terrein of bij het uitzetten van een bouwwerk.

Een zelfleesbaak is een lat met verdeeling in centimeters en met omgekeerde letters, welke door den kijker bij het waterpassen rechtop gezien worden. Dat waterpassen geschiedt als volgt: Men slaat op het terrein paaltjes, aan den omtrek van het terrein, zoo diep in den grond, dat de bovenkanten ongeveer een waterpas vlak vormen. De bediener van het waterpasinstrument gaat staan in het midden van het terrein. De baakhouder gaat bij een paaltje staan en zet de zelfleesbaak op dat paaltje. Men kan nu door den kijker van het zuiver gestelde waterpasinstrument een bepaalde hoogte, een willekeurig merk op de zelfleesbaak in het oog houden. De baakhouder gaat dan bij een volgend paaltje staan en slaat op aanwijzing van den man aan het waterpas het paaltje zoo ver in den grond, dat de waarnemer hetzelfde merk op de zelfleesbaak in zijn vizier krijgt. Heeft men aldus alle paaltjes op de juiste diepte geslagen door steeds den kijker met den baakhouder te laten meedraaien, dan vormen alle bovenvlakten der paaltjes inderdaad een waterpas vlak.