WoordHoek

Ewoud Sanders (2024)

Gepubliceerd op 17-01-2024

Stront aan de knikker

betekenis & definitie

Er is stront aan de knikker in de coalitiebesprekingen. Meer over die uitdrukking in deze WoordHoek.

Doordat de VVD-senatoren de Spreidingswet zullen steunen, staan de onderhandelingen over een nieuwe coalitie opeens flink onder druk. In dit verband hoorde ik op de radio een paar maal de uitdrukking stront aan de knikker.

Wellicht komt het doordat ik als kind veel heb geknikkerd, maar ik heb dat altijd een vieze uitdrukking gevonden. We hebben het hier over de jaren zestig, toen hondeneigenaren nog niet verplicht waren om de uitwerpselen van hun huisdieren van straat te verwijderen. Dit had tot gevolg… nou ja, u kunt zich er zonder twijfel van alles bij voorstellen.

Wij probeerden alleen te knikkeren op schone stoepjes, maar dan nog ging het af en toe mis – bijvoorbeeld als een knikker de bosjes in rolde. Ik wil maar zeggen: uit persoonlijke ervaring weet ik hoe stront aan de knikker ruikt. En voelt.

Onnutte spelen
Knikkeren is een oud spel. Een afbeelding ervan vinden we al op een prent uit het eind van de zestiende eeuw. In een geschrift uit 1607 beschrijft iemand hoe kinderen zich vermaken op straat. Velen van hen zijn aan het ‘sotten’, schrijft hij. ‘Sommigen met knickeren, sommigen met kolven, sommigen met caetsen ende sommigen den bal slaende met kocklepels.’ Het klinkt alsof die kinderen het goed naar hun zin hadden, maar de auteur spreekt van ‘onnutte, ydele spelen’.

Indertijd was het nog veel vuiler op straat dan in mijn jeugd. Zeker in steden lagen de straten vol drek. Niet alleen van allerlei lastdieren, maar ook van mensen – want het zou nog lang duren voordat er goede riolering werd aangelegd. Stront aan de knikker moet dus een oud probleem zijn.

Kak aan de knikker
Aanvankelijk zei men ook er is aan kak aan de knikker. Die uitdrukking is in 1709 voor het eerst opgetekend, in het blijspel De gewaande weduwenaar, met het bedroge kermis-kind. Een van de personages zegt daar: ‘Wie wil, ’k was ’er mijn hand af, en doe niet meê/ Daar ’s kak aan de knikker: als een ander zo deê.’

Het was een woordenboekmaker die aan het begin van de negentiende eeuw de stront-variant registreerde. ‘Er is stront aan den knikker, er schuilt iets achter, dat niet goed is’, schreef Petrus Weiland in 1810 in zijn Nederduitsch taalkundig Woordenboek.

Veel mensen vinden stront een tamelijk vies woord – ik ook. Grof en plat. Daarom is het niet verwonderlijk dat er ook enigszins eufemistische varianten voor deze knikkerbeeldspraak zijn bedacht. Opgetekend zijn onder meer er is IETS aan den knikker en daar is VUIL (of een VUILTJE) aan den knikker – beide in de negentiende eeuw. Toch zullen de meeste mensen ook bij deze varianten als eerste aan kak of stront hebben gedacht.

Dat wist Gerrit van de Linde, beter bekend onder zijn schrijversnaam De Schoolmeester, toen hij omstreeks 1858 deze dichtregels schreef:

De wolken worden in ’t Westen hoe langer hoe dikker,/ Daar is zeker iets, dat ik niet noemen zal, aan den knikker.

Er is zeker iets dat voor gedoe gaat zorgen, net zoals nu bij de coalitiebesprekingen.