WoordHoek

Ewoud Sanders (2024)

Gepubliceerd op 09-01-2024

Schaatskoorts

betekenis & definitie

Veel samenstellingen met -koorts hebben een negatieve lading. Een van de uitzonderingen is schaatskoorts.

Momenteel gonzen er allerlei woorden en uitdrukkingen door Nederland. Vele hebben met het weer te maken: pokkenweer, noodweer, hondenweer, enzovoorts. Andere betreffen de wateroverlast. Dijkbreuk, buitendijks gelegen, blank staan – het zijn er tientallen.

En dan hebben we nog een woord dat negatief lijkt, net als die andere, maar dat in feite positief is, namelijk schaatskoorts.

Het Nederlands telt opmerkelijk veel samenstellingen met -koorts als tweede lid. De Dikke Van Dale noemt er ruim honderd. Bijna al die samenstellingen hebben een negatieve gevoelswaarde. Althans, ik denk niet dat er iemand positieve associaties heeft bij woorden als doodkoorts, knokkelkoorts en tropenkoorts.

Tot de positieve koortssamenstellingen behoren drie woorden uit de wereld van de ijssport: schaatskoorts, Elfstedenkoorts en ijskoorts.

Een naakte schaatser
Schaatspret is een oude Nederlandse traditie. Zelf heb ik een zwak voor schilderijen waarop je dit ziet. Een mooie selectie is samengebracht op de website www.schaatshistorie.nl. De oudste schaatsafbeelding aldaar is een detail van het drieluik ‘De tuin der lusten’ van Jheronimus Bosch. Dit drieluik dateert van omstreeks 1490-1500. Midden op het rechterpaneel schaatst een man in z’n blootje. Op andere schilderijen zie je ijssledes die door paarden worden voortgetrokken, schaatsende mannen en vrouwen, spelletjes op ijs, koek-en-zopie – het plezier spat er vanaf.

Hoewel schaatspret dus al oud is, bestaat dit woord nog niet zo lang. Het is pas in de tweede helft van de negentiende eeuw voor het eerst opgetekend. Niet voor winters plezier in Nederland overigens, maar in Zwitserland. ‘Te Zurich, gelijk in de meeste steden’, aldus de Opregte Haarlemsche Courant in 1887, ‘vertoont zich de winter voor het gros der bevolking onder eene aangenamer gedaante, namelijk in den vorm van sledepartijen en schaatspret. Daar het meer slechts zelden toevriest, vergenoegt men zich met een kunstmatig aangelegd ijsveld.’

Schaatsenrijderskoorts
Schaatskoorts dateert uit dezelfde tijd. We vinden het voor het eerst in de vorm schaatsenrijderskoorts. Volgens het Vlaamse tijdschrift De Nieuwe Belgische Illustratie begaven Belgische schaatsliefhebbers zich in januari 1885, na enige dagen vorst, met veel enthousiasme op het ijs. ‘Maar hoe druk het hier ten lande in stad en dorp ook toeging, toch bleef die beweging slechts eene schaduw naast de schaatsenrijderskoorts die onze noorderbroeders beving.’

De schrijver was in Leeuwarden getuige geweest van een ‘grooten wedstrijd voor hardrijderij’. Er waren vele duizenden mensen op af gekomen en het ging om een wedstrijd tussen 28 schaatsers. ‘Daarvan waren 15 Friezen, 1 uit Groningen, 2 uit Overijsel, 1 uit Noord-Holland en 2 uit Zuid-Holland; voorts 7 uit het buitenland, als: 3 uit Engeland, 2 uit Noorwegen, 1 uit Duitschland en 1 uit Montreal (Canada).’

Dit blijft een van de leuke dingen van dit soort onderzoek: het zou niet in me zijn opgekomen dat schaatswedstrijden in Nederland in 1885 al een internationaal karakter hadden. Verdiep je eventjes in de geschiedenis van het woord schaatskoorts en je stuit er vanzelf op.

Schaatsenkoorts
In de eerste helft van de twintigste eeuw was schaatsenkoorts de gangbare vorm. Je vindt dit woord in zinnen als ‘toen bereikte de schaatsenkoorts haar hoogste peil’ (1909) en ‘in onze zoezerige hoofden deint de schaatsenkoorts nog na’ (1938). Pas sinds de tweede helft van de twintigste eeuw hebben we het over schaatskoorts. In die vorm duikt dit woord onder meer op in deze krantenkop uit 1954. ‘Schaatskoorts in Friese hoofdstad. Friese emigrant kwam uit Canada over voor de Elfstedentocht.’

Andermaal in Leeuwarden dus en andermaal een deelnemer uit Canada. Zijn naam was Jan Miedema. En ja, om zo’n lange reis te ondernemen naar zijn moederland moet Miedema echt zijn bevangen door ijskoorts, schaatskoorts of Elfstedenkoorts.