WoordHoek

Ewoud Sanders (2024)

Gepubliceerd op 24-04-2024

Pandjesbaas

betekenis & definitie

Het zijn goede tijden voor het woord pandjesbaas.

Dat komt doordat de Kamer morgen gaat stemmen over een wetsvoorstel dat een deel van de vrije huursector moet gaan reguleren. Dat wetsvoorstel is afkomstig van demissionair minister Hugo de Jonge. Nu ook de PVV haar steun voor dit wetsvoorstel heeft uitgesproken, lijkt de kans groot dat die wet zal worden aangenomen.

Dit tot opluchting van veel huurders die nu geregeld perverse prijzen moeten betalen. Bijvoorbeeld: achttienhonderd euro voor een woning in Amsterdam van vijftig vierkante meter. Exclusief de kosten voor gas en licht. De verhuurders zijn tegen de wet: zij voorspellen dat er veel huurwoningen verkocht zullen gaan worden, waardoor er een tekort zal ontstaan.

Een negatieve gevoelslading
Vanwege het evidente eigenbelang van deze redenering krijgen die verhuurders in de media geregeld het etiket pandjesbaas opgeplakt. Daarmee hebben we meteen de gevoelslading van dit woord te pakken: die is negatief. Een pandjesbaas is iemand die huurders exploiteert, die een te hoge huur vraagt, die misbruik maakt van het woningtekort. Hij (of zij) is directe familie van de huisjesmelker.

Baas uit een pandjeshuis
Dat was niet de oorspronkelijke betekenis van het woord pandjesbaas. Volgens de Dikke Van Dale heeft dit woord twee betekenissen: ‘Baas uit een pandjeshuis’ en ‘huisjesmelker’.

Die tweede definitie is duidelijk, de eerste roept vragen op, namelijk: wat is een pandjeshuis en wat betekent ‘baas uit’? Of bedoelt Van Dale hier simpelweg ‘baas van een pandjeshuis’.

‘Baas uit’ zal een vergissing zijn – hier moet van staan. Een pandjeshuis (ook wel een pandhuis genoemd) is een bank van lening, lommerd of kredietbank. Tegen de inbreng van spullen kon en kun je er geld lenen. Je geeft er die spullen dus in onderpand. Haal je die spullen niet binnen een bepaalde tijd op, dan gaan ze in de verkoop. Op die geldlening wordt rente berekend: vroeger was die vaak schandelijk hoog. In de oorspronkelijke betekenis heeft pandjesbaas dus helemaal niks met pand in de betekenis ‘huis, gebouw’ te maken, maar alles met verpanden en onderpanden.

Pandjeseigenaar
Curieus is dat de betekenis ‘huisjesmelker’ van pandjesbaas pas heel recent door onze woordenboeken is vastgelegd. Van Dale vermeldt deze betekenis pas sinds 2022, in de jongste druk. In 2023 voegde dit naslagwerk pandjeseigenaar toe, eveneens met als betekenis ‘huisjesmelker’. Hieruit kun je opmaken dat het woord pandjes inmiddels een negatieve lading heeft gekregen. Ook pandjesprins klinkt meteen verkeerd.

Woekerwinsten
Pandjesbaas in de betekenis ‘eigenaar van een pandjeshuis, lommerd’ is al oud: we vinden het zeer frequent sinds het midden van de negentiende eeuw. In de betekenis ‘huisjesmelker’ is het bij mijn weten voor het eerst opgetekend in 1971. ‘De gedachte dat pandjesbazen liever veel aan gastarbeiders verdienen dan bijna niets aan grote gezinnen, onderschrijft de wethouder’, schreef Het Vrije Volk toen.

Een jaar later gebruikte dit socialistische dagblad het woord pandjeseigenaar. Eveneens in een bericht over de uitbuiting van gastarbeiders in Rotterdam. ‘Wel tien groepen’, schreef de krant, ‘leveren op dit ogenblik spitwerk naar de ware achtergrond van gastarbeiderspensions, die in de oude Rotterdamse wijken met woekerwinsten in huurkoop worden gegeven door sluwe pandjeseigenaren.’

In deze betekenis maakten beide woorden langzaam opgang: pas sinds het begin van deze eeuw worden ze vaker gebruikt. Ik vermoed omdat het toen steeds gangbaarder werd, ook voor particulieren, om in panden te beleggen. Soms vast met goede bedoelingen: een redelijke huur incasseren als aanvulling voor een pensioen. Maar iedereen kan zien dat het privatiseren van de huurmarkt – een paradepaardje van de VVD – inmiddels volledig uit de hand is gelopen.