WoordHoek

Ewoud Sanders (2024)

Gepubliceerd op 31-01-2024

Oorlogseconomie

betekenis & definitie

Een woord dat je nu opeens overal hoort en leest is oorlogseconomie. Eerder gaf Nederland er een eigen invulling aan.

Het was niet lang zoeken naar het woord van de week, want je hoort en leest het opeens overal: oorlogseconomie. Nederland zou zich beter moeten voorbereiden op meer agressie van Russische zijde. Het budget voor het leger zou verder moeten worden verhoogd, Nederland zou zelf meer munitie en wapens moeten gaan produceren. Wij burgers zouden ons beter moeten voorbereiden op het ergste. En o ja, het zou mooi zijn als er een soort snuffelstage zou worden ingevoerd om kennis te maken met het leger. Geen herinvoering van de opkomstplicht, die formeel overigens nooit is afgeschaft, maar een dienstjaar. Want daarmee kweek je een leger van reservisten. En dat is hard nodig, want momenteel telt het Nederlandse leger maar liefst achtduizend vacatures.

Al die plannen kwamen de afgelopen tijd voorbij onder de vlag oorlogseconomie. Ze waren onder meer te horen op radio, tv en in podcasts, uit de mond van hoge militairen en andere deskundigen.

Roependen in de woestijn
Wat mij trof als toehoorder is dat je luistert naar roependen in de woestijn. Immers, voor het invoeren van dergelijke ingrijpende plannen, heb je politici nodig met een langetermijnvisie. En als de realiteit ons de afgelopen decennia nou iets heeft geleerd – iedereen kan dit verder zelf invullen met talloze praktijkvoorbeelden.

Wat me vanuit taalkundig perspectief opviel is dat oorlogseconomie nu zo breed wordt gedefinieerd. Volgens de Dikke Van Dale heeft dit woord twee betekenissen: ‘Economische voorbereiding van de oorlog in vredestijd’; en: ‘Aanpassing van de gehele economie aan de militaire belangen in oorlogstijd’. Dat laatste zie je nu in Rusland en in Oekraïne, waar de productie van drones en munitie inmiddels ook plaatsvindt in fabrieken die tot voor kort hele andere dingen maakten.

Eerste Wereldoorlog
Heeft Nederland ooit eerder een oorlogseconomie gehad? En wat werd er toen onder verstaan?

Oorlogseconomie blijkt een betrekkelijk jong woord. Niet geheel verrassend duikt het voor het eerst op tijdens de Eerste Wereldoorlog. Die begon op 28 juli 1914. Nederland bleef neutraal, maar de economische consequenties voor ons land waren groot en meteen voelbaar. Onder de kop ‘Oorlogs-economie’ schreef Het nieuws van den dag al op 10 oktober 1914:

‘Onze Land- en Tuinbouwkronieken staan […] in het teeken van den oorlog, en geen wonder, want naast onze neutraliteits-quaestie bestaat er feitelijk maar één vraagstuk: Hoe blijven we aan het eten? En omdat wij ons voedsel van den boer en den tuinman krijgen, is het oorlogsvraagstuk geworden een agrarische quaestie, voor een groot deel tenminste.’

Al binnen een paar maanden had de regering de handel in landbouwproducten aan banden gelegd, om voedselschaarste te voorkomen. Dus ja, Nederland kende toen een oorlogseconomie – zij het met een iets andere betekenis.

Het neologisme oorlogseconomie maakte meteen een vliegende start. Alleen al gedurende de Eerste Wereldoorlog werd het honderden keren in kranten en tijdschriften gebruikt.

Bedrijfsleven aan de slag
Een tweede opleving volgde tijdens de Tweede Wereldoorlog – ook niet geheel onverwacht. Al op 24 mei 1940 schreef dagblad De Tijd:

‘Natuurlijk zullen handel en nijverheid ook voor groote obstakels komen te staan. De grondstoffenvoorziening en de brandstoffenaanvoer zullen niet overal meer den omvang van vroeger kunnen bereiken, maar daarom is het ook dringend noodig, dat wij ons instellen op een Planmatige oorlogseconomie, waarbij zoo rationeel mogelijk met de beschikbare voorraden wordt huisgehouden.’

Toch was dit dagblad niet pessimistisch: ‘Van den anderen kant moet men open oog hebben voor de nog zeer vele bestaande mogelijkheden en voor de nieuwe kansen die ons geboden worden.’

Vandaar ook de koppen boven dit artikel: ‘Bedrijfsleven aan den slag’ en ‘Heroriënteering van handel en nijverheid’. Weliswaar was Nederland binnen een dagen veroverd, Duitsland zou weleens ‘een afnemer van groot formaat kunnen worden’. De Duitse bezetting – het staat er echt – zou bijvoorbeeld goed kunnen zijn voor de export van tomaten, komkommers, vroege sla, peen en bloemkool.

Zie daar een typisch Nederlandse invulling van het woord oorlogseconomie: nieuwe agrarische exportkansen in oorlogstijd. En dat slechts twee weken na de inval van de Duitsers.