WoordHoek

Ewoud Sanders (2024)

Gepubliceerd op 29-05-2024

Kanjer

betekenis & definitie

Geert Wilders vindt Dick Schoof een ‘enorme kanjer van een kandidaat’. Vroeger zou dit als een belediging zijn opgevat.

Nadat Dick Schoof naar voren was geschoven als kandidaat-premier, buitelden de media over elkaar heen om meer over hem te vertellen. Want hoewel hij een lange en indrukwekkende carrière achter de rug heeft, kennen de meeste kiezers Schoof niet. De man die eigenlijk premier had willen worden, Geert Wilders, zei ‘ontzettend blij en trots’ te zijn met Schoof. ‘Ik denk dat we hier een enorme kanjer van een kandidaat hebben gevonden.’

Kanjer is een bijzonder woord. In de media lees en hoor je het niet zo vaak, omdat het als informeel wordt ervaren. De dominante betekenis is ‘iemand die uitmuntend is in zijn vak of soort’. Synoniemen: een baas, kei of meester.

Een kanjer van een minister
Ik neem u even mee terug naar 11 december 1912. Toen zei een Kamerlid tijdens een debat: ‘Wij hebben een kanjer van een Minister van Waterstaat.’ De voorzitter, een verre voorganger van Martin Bosma, greep in. ‘Mag ik den geachten afgevaardigde verzoeken dergelijke uitdrukkingen niet te bezigen? Dat zijn qualificaties die in deze vergaderzaal tegenover een Minister niet gebruikt mogen worden.’

Wat was hier aan de hand? Vond de voorzitter het gebruik van het woord kanjer te informeel? Nee, hij kende het hoogstwaarschijnlijk in een oude betekenis. Althans, daar ging ook Jan Schaper, het SDAP-Kamerlid dat kanjer in de mond had genomen, van uit. Hij zei:

‘Ik weet niet of u de beteekenis van het woord kanjer wel begrijpt. Het woord beteekent, naar ik vermoed, niets slechts [negatiefs; ES]. Het beteekent een krachtig, energiek persoon, een soort, zooals men zegt: “mannetjesputters”. Ik geloof, dat in dezen zin het woord niet als onparlementair kan beschouwd worden. Deze Minister bijt steeds nijdig van zich af.’

Leeglopers en nietsnutten
Het woord kanjer heeft een bijzondere geschiedenis. Wij leenden het in de dertiende eeuw uit het Frans. In die taal betekent cagnard ‘luiaard, luiwammes’. Aanvankelijk werd kanjert of kanjaart alleen als bijnaam gebruikt, voor leeglopers en nietsnutten. Zo werd in 1615 een klucht gepubliceerd over een kwakzalver genaamd ‘Meester Canjart’ – een regelrechte praatjesmaker.

Maar uit bewondering voor het succes van sommige van deze bluffers, kreeg kanjer gaandeweg een gunstige klank. Je kon het ook gebruiken voor ‘iemand die voortreffelijk is in zijn vak’. Dat gebeurde al vroeg – sinds het begin van de achttiende eeuw.

Toch bleef die negatieve betekenis nog heel lang bestaan. ‘Onder een kanjer’, schreef de taalkundige F.A. Stoett in 1901, ‘verstaat men een ellendeling, een beroerling.’ Als voorbeelden geeft hij: een kanjer van een kerel of een wijf.

Leeglopers en nietsnutten
Zie daar de basis van het misverstand tussen de toenmalige Kamervoorzitter en het SDAP-Kamerlid. Overigens werd kanjer tegen die tijd al in veel meer betekenissen gebruikt. Voor iemand die of iets dat heel fors is bijvoorbeeld. Zo schreef Vincent van Gogh in 1882 aan zijn broer Theo: ‘Ik heb dien ouden kanjer van een knotwilg nog geattaqueerd, en ik geloof dat dat de beste van de aquarellen geworden is.’

Nu vraagt iedereen zich natuurlijk af in hoeverre Schoof de hooggespannen verwachtingen kan waarmaken. In zijn column in NRC schrijft Marcel van Roosmalen hierover: ‘Met “een enorme kanjer” diskwalificeer je niemand, maar temper je ook het verwachtingspatroon. Mijn moeder was ook “een enorme kanjer”, net als Erica Terpstra. Iedereen kan “een enorme kanjer” worden.’

Meer uitgesproken is Henk Krol. Op Twitter schrijft hij: ‘Dick Schoof, een naam die niet veel mensen zagen aankomen als beoogd premier. Wel een kanjer. Bijzonder dat hij dit aandurft. Een ijzersterkte [sic] zet van Wilders.’

Kleine kanttekening: Henk Krol is een van de minst succesvolle politici in de Nederlandse geschiedenis.