WoordHoek

Ewoud Sanders (2024)

Gepubliceerd op 23-06-2023

Hork

betekenis & definitie

Het woord van de week is hork. Dit dankzij een minister die inmiddels ‘Stennis Wiersma’ en ‘Dennis the Menace’ wordt genoemd.

De bekendste hork van Nederland is momenteel Dennis Wiersma, de (inmiddels ex-) Minister voor Primair en Voortgezet Onderwijs. Hij is er zo bekend mee geworden dat je bijna met hem te doen krijgt – dit imago zal hem nog heel lang achtervolgen. Hoeveel excuses hij ook zal maken, hoeveel gesprekken hij er ook over zal aanknopen.

Hork is een interessant woord. De betekenis is ‘onaangenaam persoon, lomperd’. Als uitdrukkingen vermeldt de Dikke Van Dale ‘een botte hork’ en ‘een hork van een vent’. Dat het in die laatste uitdrukking om een vent gaat, zal geen toeval zijn. ‘Een hork van een wijf’ komt voor, maar veel minder vaak – kijk maar op internet. Mannen zijn nu eenmaal vaker horken dan vrouwen. Zelfs als ze, zie Dennis Wiersma, in eerste instantie sympathiek overkomen.

Hork heeft een interessante geschiedenis. Kort gezegd weten taalkundigen niet zeker waar het vandaan komt. Er zijn twee verklaringen. Vanaf het begin van de achttiende eeuw vinden we hork in de betekenis ‘horzel, wesp’. De meeste mensen vinden horzels en wespen onaangenaam, vooral als ze steken. Horzel wordt gebruikt voor ‘lastig persoon’. De Dikke Van Dale vermeldt zelfs als (regionale) uitdrukking ‘een horzel van een wijf’ – wat enigszins indruist tegen wat ik hierboven beweerde.

Tweede herkomstverklaring van hork: via het Bargoens is het ontleend aan het Jiddische hourek. Dat betekent ‘onaangenaam persoon, slecht mens’ en gaat terug op het Hebreeuws hooreeg (‘moordenaar’).

Een onaangenaam persoon
De deskundigen zijn het oneens. Sommige vinden de wesp-horzel-herkomst het meest aannemelijk, anderen de Jiddische herkomst. Zelf geloof ik het meest in die laatste verklaring. Reden: weliswaar duikt hork vanaf het begin van de achttiende eeuw op voor ‘wesp’ en ‘horzel’, pas vanaf de eerste decennia van de twintigste eeuw wordt het gebruikt voor ‘onaangenaam persoon, lomperik’. We vinden het aanvankelijk vooral bij schrijvers die gretig gebruikmaken van Jiddische en Bargoense woorden, zoals Sam Goudsmit (1884-1936) en Willem van Iependaal (1891-1970). In plaats van hork kom je in dergelijke bronnen ook horrik tegen. Bijvoorbeeld in de zin: ‘Ik kan wel huile, da’k so’n stomme horrik bin.’ Horrik en het Jiddische hourek, dat dus werd gebruikt in dezelfde betekenis, lijken op elkaar.

Horkerig
Na hork voor ‘lomperik’ vinden we al snel de afleiding horkerig. In 1926 citeerde een rechtbankverslaggever van een Haagse krant een student die was bekeurd vanwege slecht rijgedrag. Tegen de rechter zei de student: ‘Die agent was zoo buitengewoon brutaal en horkerig dat ik den kerel een grooten bek teruggaf.’ De rechtbankverslaggever noemt de student een ‘vrijmoedige jongeling’ – de knul drukt zich in ieder geval nogal informeel uit.

Echt gangbaar lijkt het woord horkerig toen nog niet te zijn geweest. Een Tilburgse krant zette het in 1932 nog tussen aanhalingstekens. Wat je moet lezen als: zo zegt men dat in de spreektaal. Pas vanaf de jaren zestig duikt het steeds vaker op in kranten.

Vanzelfsprekend is Dennis Wiersma, inmiddels bijgenaamd ‘Stennis Wiersma’ en ‘Dennis the Menace’, niet de eerste politicus die zich als een hork gedraagt. Er zijn er veel meer. Over hun gedrag wordt wisselend gedacht. ‘Ondanks zijn horkerigheid kan Bolkestein tegen kritiek’, schreven Max van Weezel en Leonard Ornstein in 1999 over de VVD-politicus Frits Bolkestein. In 2001 zei de VVD'er Hans Dijkstal tegen de Volkskrant: ‘Je moet al een vreselijke hork zijn in dit land wil je als premier niet slagen.’ En in 2016 noemde dagblad Trouw de VVD-prominent Hans Wiegel ‘een poseur en een hork’.

Dit zijn slechts enkele voorbeelden, volstrekt willekeurig gekozen, maar ze stemmen tot nadenken.

< >