WoordHoek

Ewoud Sanders (2024)

Gepubliceerd op 12-10-2023

Flierefluiter

betekenis & definitie

Over de herkomst van het woord flierefluiter valt iets nieuws te melden.

Vorige week beleefde het woord flierefluiter een piek. Aanleiding was het nieuws over Bernhard van Lippe-Biesterfeld (1911-2004). Anders dan de prins-gemaal bij hoog en laag had volgehouden, was hij wel degelijk lid geweest van Hitlers NSDAP. Al eerder was een kopie van zijn lidmaatschapskaart gevonden, nu het origineel – waarmee de laatste twijfel verdampte.

Prins B. had hier dus al die tijd over gelogen, ook toen hij met zijn hand op de Bijbel zwoer dat hij de waarheid sprak.

Vandaar het oordeel flierefluiter, dat op vele plekken opdook. ‘Het zou eigenlijk ook onlogisch zijn geweest als iemand met zijn achtergrond, een flierefluiter, het politieke inzicht had gehad dat hij destijds beter géén lid kon worden.’ Aldus Annejet van der Zijl in NRC; zij promoveerde in 2010 op een onderzoek naar Bernhard. ‘Bernhard, flierefluiter’, stond er een paar dagen later in dezelfde krant boven een column van Frits Abrahams. ‘Flierefluitend werd hij lid van verkeerde club’, kopte onder meer De Gooi- en Eemlander, het Haarlems Dagblad, het Leidsch Dagblad en het Noordhollands Dagblad.

Kortom: een hoge frequentie van flierefluiter in kranten, een woord dat je daar doorgaans niet vaak aantreft.

Vrouwengek
Volgens de Dikke Van Dale is een flierefluiter iemand die flierefluit – een mooi voorbeeld van een nietszeggende definitie. Meer informatie vind je onder meer in het Woordenboek der Nederlandsche Taal en in ENSIE. Daar vind je als definities o.a. ‘boemelaar’, ‘lichtzinnig persoon’, ‘losbol’, ‘nietsnutter’, ‘pierewaaier’ en ‘vrouwengek’.

Over de herkomst van flierefluiter bestaan twee theorieën. ‘Waarschijnlijk is het eerste lid een variërende reduplicatie van het tweede’, zo luidt één verklaring. Makkelijker gezegd: fliere zou een soort herhaling van fluiter kunnen zijn. Dus: van iemand die op een fluit blaast. Een andere verklaring luidt: fliere komt van de plantennaam vlier (een kamperfoelieachtige plant van het geslacht Sambucus). Kinderen gebruikten het hout van die plant namelijk veelvuldig om er een fluitje van te maken.

Een Vlaamse woord
De oudste datering van flierefluiter staat tot nu toe op 1861. In feite is het iets ouder. ‘Myn huis uit, flierefluiter!’, vermeldt een Vlaams ‘letterkundig jaerboekje’ uit 1844. In 1846 vinden we het in het tijdschrift De Vlaemsche stem. In 1850 in een tekst van de Vlaamse schrijver Hendrik Conscience: ‘Ge zyt van heel het firmament, de grootste flierefluiter.’ Ook alle andere vroege vindplaatsen zijn afkomstig uit Vlaamse bronnen. Daaruit kun je opmaken dat dit woord in die regio is ontstaan.

In Nederlandse kranten duikt flierefluiter op vanaf 1879. Aanvankelijk vooral in de vorm vlierfluiter. Die schrijfwijze maakt meteen een eind aan de onzekerheid over de herkomst. We lezen over vlierefluitende jongens die op vlierfluitjes blazen. In zinnen als: ‘De meiden staan lollend met de takken […] bij de jonge jongens die er zitten te tierelieren op gesneden vlierfluitjes.’

Mogelijk zien we hier dus een bevestiging van een theorie over de herkomst van het woord flierefluiter. Nee, het is geen ‘variërende reduplicatie’, maar gaat hoogstwaarschijnlijk terug op fluitjes van vlierhout, bespeeld door vlierefluitende / flierefluitende kinderen. Jongens vooral. Die kennelijk werden aangezien voor lichtzinnig personen, nietsnutten, losbollen, pierewaaiers en op een gegeven moment zelfs voor vrouwengekken.

Typeringen die allemaal toepasbaar waren op de gewetenloze ijdeltuit prins B. Een uitstekende typering dus, die we wat mij betreft moeten koesteren.

< >