Woordenboek van Populair Taalgebruik

Marc De Coster (2020-2024)

Gepubliceerd op 04-11-2021

zonaanbidder

betekenis & definitie

(1971) (euf.) naturist of nudist.

• Het naturisme of nudisme (twee woorden die overigens niet precies dezelfde lading dekken — de nudist is een praktische zonaanbidder, de naturist is meer een nudist met een beredeneerde (levensfilosofie) leidt binnen onze landsgrenzen nog een verborgen bestaan. (NRC Handelsblad, 17/06/1971)
• Beide mannen waren door de diverse persberichten rond het wel of niet toestaan van het naaktstrand enigszins in de war gebracht. De 37-jarige man uit Leiden noemde zich geen naturist of nudist, maar een zonaanbidder. (Tubantia, 14/09/1974)
• Al enige tijd ben ik bezig met een stamboomonderzoek, waarbij ik onlangs op het volgende probleem stuitte. Een van mijn voorvaders was rond 1900 (getuige een vermelding in een huwelijksakte) van beroep ‘héliotropist’. Volgens sommigen betekent dat ‘lichtseingever’. Dat zou een beroep geweest zijn bij het vroegere transport over water: het met lichtsignalen begeleiden van schepen. Anderen vermoedden dat het woord te maken heeft met een religieuze richting, gelet op het ‘ist’. We zouden dan kunnen denken aan ‘zonaanbidder, naturist’. (Onze Taal. Jaargang 58. 1989)

< >