Woordenboek van Populair Taalgebruik

Marc De Coster (2020-2025)

Gepubliceerd op 04-09-2021

zielzak

betekenis & definitie

(18e eeuw, vero.) lichaam. Syn.: bliksem*; bobberd*; body*; broeder* ezel; carrosserie*; donder(ement)*; eierkorf*; flikker(ij)*; g.v.d.*; karkas*; kas*; lazarus*; lazer*; lijer*; machine*; makkement*; mieter*; penshuis*; pochel*; pook*; raap*; sodeju*; tabernakel*; verdommenis*; zemelkist*.

• Geeffe een trap op haar zielzak.... (Onno Zwier van Haren: De geusen: proeve van een vaderlands gedicht. 1776)
• Daarom veracht hij zichzelven ook diep, zichzelven, dat is natuurlijk zijn ligchaam, en spreekt' nooit dan van zijne ribbenkast of zijn zielzak. (Klikspaan: Studenten-Typen. 1841)
• Zielzak m. z. n., lichaam, gebr. in op zene — kriege, op zen donder krijgen. (C. Breuls: Vademecum handelend over Maastrichtsch dialect. 1914)

< >