1) (17e eeuw) (sold.) ronselaar; iemand die tegen betaling soldaten of matrozen aanwerft; werfagent van de Oostindische Compagnie.
• Eén raad geef ik u: snij uw schoon haar tot op de wortel af, beschaar een stijf smeerpruikje, koop bij een oud kleerkoper een geheel pak kleren, maak u zo zwart als de duivel zelf; maar zo gij niet hangen wilt, verkoop u dan aan een zielverkoper! (Aagje Deken & Betje Wolff: Historie van mejuffrouw Wildschut. 1793)
• Zielverkooper, bijnaam voor de tot voor korten tijd bestaan hebbende bezorgers van plaatsvervangers voor de nationale militie. Ook ronselaar heeft die beteekenis. (Taco H. de Beer en E. Laurillard: Woordenschat, verklaring van woorden en uitdrukkingen. 1899)
• Een „dure kerel" of een „dure" heette vroeger een „remplacant", omdat hjj zoovee! geld kostte, en de bezorgers van deze „plaatsvervangers" voor de nationale militie noemde men „ronselaars", ook wel „zielverkoopers". (de Sumatra Post, 17/12/1914)
• Da's eine ziëleverkuiper — scheldnaam; 'n ronselaar of werver uit den tijd dat het staande leger werd gevormd uit vrijwilligers. (Limburgsch dagblad, 08/04/1933)
• Zielverkoper: (in de 17-de en 18-de eeuw) ronselaar, rondtrekkend wervingsofficier. Voor de etymologie moeten we niet denken aan de handel in 'zielen', maar aan de ceel, een schuldbrief die de ronselaar bij het aanbrengen van een soldaat of matroos ontving. (Het vrije volk, 27/11/1989)
• zielverkoper: ronselaar van matrozen en soldaten; hoorn koehoorn; hiermee kon de vrouw de schijn ophouden dat ze een man was; kardeel touwwerk voor hijsen en strijken van zeilen of onderra's; gepriegeld geranseld; vogelknip geslachtsdeel. (A.N. Paasman: Wie wil d'r mee naar Oost-Indië varen. Liedjes uit de Compagniestijd. 1991)
• Ook Trevennot gaat ervan uit dat iemand alleen naar de Oost vertrekt uit financiële overwegingen. Evenals De Graaff maakt hij onderscheid tussen degenen die door eigen schuld en degenen die buiten hun schuld in nood zijn gekomen, ofwel tussen oneerlijke en eerlijke lieden. Verschillende Duitsers schrijven achteraf expliciet dat ze in Nederland uit armoede de stap naar een zielverkoper of rechtstreeks naar het Oost-Indisch Huis hebben gezet en bedoelen daar ongetwijfeld hun ‘eerlijke’ armoede mee.(Roelof van Gelder: Het Oost-Indisch avontuur. Duitsers in dienst van de VOC (1600-1800). 1997)
• Een woord dat niet meer begrepen wordt, zoals ceel, seel, wordt makkelijk vervormd en wordt geassocieerd met een ander, beter bekend woord. Zo werd ceel als ziel geïnterpreteerd in zielverkoper ‘man die matrozen die dienst willen nemen, huisvesting verleent en een uitrusting bezorgt. In ruil daarvoor ontvangt hij als betaling de ceel of transportbrief, die ten kantore van de Oostindische Compagnie pas betaalbaar is als daar het bericht is binnengekomen dat de aangemonsterde de voorgeschoten som geheel verdiend heeft’. Later werd zielverkoper ook gezegd van ‘ronselaar die tegen betaling matrozen of soldaten aanwerft’. In de tijd van de loting werd in België de man die plaatsvervangers ronselde voor een (welgestelde) loteling die een ongunstig lot had getrokken, ook zielverkoper genoemd. In Maastricht werd het zelfs gezegd van een inhalige koopman. Die ceelverkopers waren meestal immorele kerels die woekerrenten aanrekenden en bijgevolg een heel slechte reputatie hadden. Zo begrijpen we de pejoratieve naam zielhond, die in alle Belgisch-Nederlandse dialecten voorkwam. Gezelle geeft in zijn Loquela een paar voorbeelden: hij heeft hem verkocht aan den zielhond voor 900 fr. (Kortrijk); wee, die zijne ziel verkoopt aan den zielhond (Antwerpen). Ook in het Duits is de Zettelverkäufer via een Zeelverkäufer ook een Seelenverkäufer geworden. (Frans Debrabandere in Neerlandia. 2005)
2) (1914) (Maastricht) inhalige koopman.
• Zieleverkuiper: inhalige koopman; kleine borrel. (C. Breuls: Vademecum handelend over Maastrichtsch dialect. 1914)
3) (1914) (meestal verkleinvorm) (Maastricht) borrel.
• Zieleverkuiper: inhalige koopman; kleine borrel. (C. Breuls: Vademecum handelend over Maastrichtsch dialect. 1914)
• (Hubert Joseph Edmund Endepols: Woordenboek of diksjenaer van ’t Mestreechs. 1955)
• In 1914 voor het eerst gevonden, in Maastricht. Net als volkskanker is deze borrelnaam hoogstwaarschijnlijk ontstaan als reactie of parodie op het ronkende taalgebruik van de drankbestrijders, die vonden dat te veel mensen hun ziel aan sterke drank verkochten. De term kan ook door de drankbestrijders zelf zijn gebruikt. De ziel is vaker in verband gebracht met alcohol. In de eerste helft van deze eeuw zei men in Gent drinken tot zijn ziel zwemt voor 'overdadig drinken'. En van 'een zatlap, die in plaats van naar bed te gaan, aan tafel zit te mompelen', zei de Gentenaar: hij zit te zielbraken. De oorspronkelijke betekenis van zielverkoper is overigens 'ronselaar van arbeiders, matrozen of soldaten'. Van Dale vermeldt de borrelnaam zielverkopertje sinds 1961. Het Engels kent het vergelijkbare soul destroyer 'zielvernietiger' voor whisky. De benaming dateert overigens al uit 1800. (Ewoud Sanders: Borrelwoordenboek. 1997)
• (Paul van Riel: Kroegwoordenschat. 1998)