(1827) (scheldw.) Noord- Amerikaan. Oorspronkelijk enkel een spotnaam voor een inwoner van Nieuw-Engeland of van de noordelijke staten in het algemeen. Volgens het WNT en Van Dale is de etymologie onzeker. Volgens sommigen zou het een afleiding zijn van een verkleinvorm van de mansnaam Jan. 'Yankee doodle' is de naam van een populair Amerikaans volkslied.
• In sommige dorpen, echter, was het onderscheid zeer blijkbaar; de huizen misten dien smaak en netheid en de landerijen die bearbeiding, welke zich in andere streken van Noord-Amerika vertoonen. In zeker stadje nabij de Noordrivier had ik een kennis, zijnde een Zwitser, die, met mij wandelende, mij verschillende boerderijen van zoogenaamde Dutchmen (Hollanders) en van Amerikanen (Yankees) aanwees; en ik moet bekennen, dat er een zigtbaar onderscheid tusschen beiden bestond, en wel ten nadeele der eersten. (Vaderlandsche letteroefeningen. Jaargang 1827)
• Hij had niet dat verharde, dat gebronsde en toch op zijn tijd soepele in zijn houding en ge-baar, dat den Yankee pleegt te kenmerken. (de Groene Amsterdammer, 14/09/1884)
• Yankee, (am.), buiten de Vereenigde Staten benaming voor Amerikaan, in Noord-Amerika alleen naam voor een bewoner der Staten van New-England. Het woord is English in de uitspraak der Indianen. De Hollanders langs de Hudson en in New-York (Nieuw Amsterdam), hebben het eerst dien naam gebruikt en in den onafhankelijkheidsoorlog bezigden de Engelsche soldaten dit woord als schimpnaam, waarop de Amerikanen het als eeretitel aannamen. - Het werd in 1713 door zekeren Jonathan Hastings, een boer te Cambridge, in den staat New-York, gebruikt, als bijnaam om reclame te maken, in de beteekenis van echt, in Amerika gemaakt, wat niet overtroffen kan worden; bv. Yankee horse (paard); Yankee cider (appeldrank) enz. De studenten namen 't woord over en noemden Hastings Yankee Jonathan. (Taco H. de Beer en E. Laurillard: Woordenschat, verklaring van woorden en uitdrukkingen. 1899)
• Welkom, welkom in de haven. De groote mogendheden vertoonen niet opnieuw, zooals te Washington in 1921-1922, een steekspel om elkaar uit de gunst der Yankee's te wippen. (Nieuwe Rotterdamsche Courant, 06/07/1927)
• Zou een Nederlander onderdoen voor een tommy of een yank? (K. Norel: Engelandvaarders. 1945)
• Neef Wessel moest een all round Yankee worden, z’n elbogen bezigen en zorgen dat het ineenpassen van de bestelde woningen nog vlotter verliep. (Willem van Iependaal: Petrus in dubio. 1947)
• Yankee doodle. (E.) Amerikaansch populair volkslied, inden tijd van Karei Ivan Engeland door de koninklijke Cavalieren als spotlied op de rondhoofden van Cromwell gezongen. In 1755 weerklonk het voor de eerste maal bij den strijd der Amerikaansche kolonie tegen Frankrijk, waarbij een officier van gezondheid, R. Schuckberg, wat rijmelarij had geschreven. Dit smakelooze product raakt meer en meer in discrediet. „Yankee” is een andere benaming voor Amerikaan, en „doodle” beteekent: sukkel. (A. Huizinga: Woorden en gedachten. 1950)
• Werkelijk, ze zijn net grote kinderen, die Yanks. (Johan Fabricius: Nacht zonder zege. 1955)
• yankee, spotnaam voor Noord- Amerikanen; yankee-doodle:Amerikaans volkslied. (Fokko Bos: De vreemde woorden. 1955)
• Om je een zeer kort overzicht te geven van de bewoners van de Verenigde Staten, in het noorden wonen de Yankees. (Bertus Aafjes: Logboek voor dolle dinsdag. 1956)
• … en volgens mijn bescheiden mening stammen de Yankees af van twee Nederlandse stamvaders, de een Jan geheten, de ander Kees. (Bertus Aafjes: Ik ga naar Amerika. 1956)
• Ik klauter er ook op en laat Julie zien dat ik niet minder durf dan die Yanks. (Johan Fabricius: Wittebroodsweken met mama. 1969)
• Wat mij het meest in dit gesprek intrigeerde (ik vond het overigens minder interessant van de twee gesprekken van Muggeridge) was de opmerking van één van de gesprekspartners, dat de benaming Yankee uit het Nederlands afkomstig was: Een „Jankie” zou in het Nederlands een „gewiekste vent” betekenen. Ik heb dat nergens kunnen terugvinden, helaas. Wel zegt één van mijn woordenboeken dat „Yankee afkomstig is van het Indiaanse woord „Yengees”, wat weer een verbastering was van „English”, waarmee de Indianen de bewoners van Nieuw Engeland aanduidden. En dat klopt weer, want Yankee was oorspronkelijk de schimpnaam voor de bewoners van de Nieuw-Engelandstaten in Amerika. Verkeerde informatie dus, in dit programma. (Tubantia, 12/03/1971)
• (Tony R. De Bruyne: Soldatentaal 1914-1918. 1994)