(1971) (< epon. Naar de Amerikaanse linguïst en filoloog George Kingsley Zipf, 1902-1950) (taalk.) bepaalde wetmatigheid, waarmee kansverdelingen worden aangeduid; empirisch principe dat stelt dat in een grote dataset de frequentie van een woord omgekeerd evenredig is met de positie die het inneemt in een frequentietabel. Het meest voorkomende woord komt ongeveer twee keer zo vaak voor als het tweede, drie keer zo vaak als het derde, enzovoort. Zipf bedacht de wet in 1935.
• Vooraleer de bekomen dalende frequentielijsten als definitief te aanvaarden hebben we ze eerst getoetst aan de wet van Zipf. We namen de verschillende zinssoorten als types en het aantal voorkomende zinnen als tokens zoals we dat voor de woorden doen. Eerst constateerden we enkele afwijkingen van Zipfs functielijn voor de identieke sequenties van syntactische woordsoorten, voor de identieke sequenties van de dependentiecodes en tenslotte voor de identieke sequenties van zinsdelen. (Handelingen van het Nederlands Filologencongres 31. 1971)
• Het meest voorkomende woord in het Nederlands is de. Het volgende woord is in de schrijftaal van, in de spreektaal en. Maar dat is allemaal nog niets vergeleken bij de wet van Zipf. Als u niet weet wat die wet van Zipf in heeft, dan wordt u nu in de gelegenheid gesteld met die wet kennis te maken. Sterker nog: als u straks een aan u gestelde vraag juist beantwoordt kunt u zich er op beroemen de wet van Zipf zelf ontdekt te hebben, en dan is er hoop voor u, dat u bij een volgende gelegenheid de eerste zult zijn die een wet ontdekt. (NRC Handelsblad, 31/10/1975)
• De E-lijst geeft informatie over de grootte van de frequentieklassen. Deze laatste, de E-lijst, is dan vooral interessant omdat hij de wet van Zipf, bekend in de taalstatistiek en de informatietheorie, demonstreert. Met andere woorden, de E-lijst en ook de D-lijst is vooral voor specialisten interessant. (Onze Taal. Jaargang 44. 1975)
• Als eerste factor in ons leesbaarheidsonderzoek namen we de gemiddelde woordlengte in lettergrepen (X1). Hierbij gingen we ervan uit dat de moeilijkheid van een tekst in de basisschool voor een groot deel bepaald wordt door moeilijke woorden. Volgens de wet van Zipf en getuige de woordfrequentielijsten, waaruit is af te lezen dat de woordfrequentie omgekeerd evenredig is met de woordlengte, kan de woordmoeilijkheid voor een groot deel worden uitgedrukt in woordlengte. (De Nieuwe Taalgids. Jaargang 69. 1976)
• Volgens mij is de wet van Zipf (die overigens ook nog een teoretische korrektie moet krijgen) over de konstante verhouding tussen rangorde en frekwentie een taalkundig inzicht, net zoals het inzicht trouwens dat de waarschijnlijkheid van een zin het produkt is van de waarschijnlijkheden van de transformaties, die bij de vorming ervan benut zijn. (Onze Taal. Jaargang 49. 1980)
• De tweede constante, die in de grafiek met de rechte stippellijn is aangeduid, is de wet van Zipf. Deze werd in de vorige eeuw ontdekt door de taalkundige De Saussure maar is vernoemd naar G. K. Zipf die er veel over heeft geschreven. Het verband komt neer op het volgende. Van een grote tekst een roman bijvoorbeeld, wordt geteld hoe vaak alle woorden voorkomen. Stel dat het meest frequente woord tienduizend keer is geschreven. Dat krijgt rangnummer één. Het woord met rangnummer twee komt dan ongeveer vijfduizend keer voor, enzovoorts. Zoals de grafiek laat zien klopt dat goed voor het boek Ulysses van James Joyce (de hellingshoek is gelijk aan die van de wet van Zipf) en de wet geldt voor boeken, spreektaal en kranten in het Engels, Noors, Duits, Jiddisch en zelfs voor Gothische literatuur. Er zijn verschillende veronderstellingen over de achtergrond van dit verschijnsel. Eén interpretatie zegt dat de spreker weet wat hij wil overbrengen, en dat hij voor dat doel zo weinig mogelijk woorden wenst te gebruiken. De luisteraar daarentegen is gebaat bij een zo groot mogelijk aantal verschillende termen om er toch vooral zeker van te zijn wat precies bedoeld wordt Het resultaat is dat een compromis ontstaat tussen deze strijdige wensen die de gedaante heeft van de wet van Zipf. (De Volkskrant, 30/01/1982)
• Mandelbrot had weinig op met de formalistische Franse wiskunde van die tijd. In de prullenbak van zijn oom vond hij een boekrecensie die hem het onderwerp aan de hand deed van zijn doctoraalthese ut 1952: de wet van Zipf uit de taalkunde. Mandelbrot hoopte de 'Kepler van de wiskundige linguïstiek’ te worden door de wetten van de statistische thermodynamica toe te passen op de taal. (NRC Handelsblad, 28/06/1988)
• Er is zelfs een Wet van Zipf (G.K. Zipf) uit 1935 die stelt dat de frequentie van een woord of uitdrukking en de lengte ervan omgekeerd evenredig zijn. Wat vaak gebruikt wordt, is kort. Vaak gebruikte woorden en uitdrukkingen worden ook vanzelf korter. Hoe dat werkt weet niemand; maar het werkt zo. We zeggen dan wel eens dat een uitdrukking ,,slijt'', of dat we iets ,,inslikken'', maar dat is schoenmakers- of apothekersbeeldspraak. We weten het niet. Maar dat het heilzaam is voor onze taal, dat staat vast. (De Standaard, 28/02/2005)
• Interessant voor het stadstoerisme is tot slot de zogenaamde 'wet van Zipf'. Die stelt dat in de grootste trekpleister twee keer zoveel buitenlanders zullen verblijven als in de op twee na grootste trekpleister. (De Tijd, 08/09/2006)
• Bovendien volgt bultrugtaal de mysterieuze wet van Zipf. George Kingsley Zipf was een taalkundige die in de eerste helft van de twintigste eeuw opmerkte dat het meest frequent gebruikte woord ongeveer twee keer zo vaak voorkomt als het op één na frequentste woord, drie keer zo vaak als het op twee na frequentste woord enzovoorts. (Trouw, 25/04/2026)