(17e eeuw) (cliché) iemand die altijd onderweg is. ‘De wandelende jood’ was een boek (uit 1906) van de Vlaamse politicus August Vermeylen (1872-1945). De benaming gaat echter terug tot de late middeleeuwen. De legendarische Wandelende Jood was Ahasverus die Jezus op weg naar Golgotha hard zou hebben aangepakt (hij had geweigerd hem voor zijn deur te laten rusten en had hem ook klappen toegediend). Hierdoor werd hij veroordeeld om tot de Dag des oordeels rusteloos over de wereld te zwerven.
• Razende plaaggeest! ik voorzag dit!’ borst de verschrikte Trott uit. ‘Ik zeide het vader altijd: zoodra ge mij op dien togt uitzendt, zal Hunter mij als de wandelende Jood vervolgen. (De Gids. Jaargang 1. 1837)
• Hy zou willen ophouden, het speelhuis ontvluchten; toch zou hy niet kunnen. Even als de wandelende jood moet hy voort, voort, altoos voort, zoolang tot dat zyne gansche fortuin verspeeld is; tot dat hy van ryk arm is geworden; tot dat hy, van zyne vroegere weelde vervallen, zyne toevlucht moet nemen tot den bedelzak, de misdaed, of, - wat maer al te dikwyls het geval is, - de zelfmoord. (De Vlaamsche School. Jaargang 6. 1860)
• Wandelende Jood, Fr, le Juif errant. — Fig. Iemand die altijd op gang is. Daar is de wandelende Jood. Hij is 'nen echte wandelende Jood, hij is nooit niet thuis. (Jozef Cornelissen & Jan Baptist Vervliet: Idioticon van het Antwerpsch dialect. 1903)
• De wandelende Jood, scherts, voor iemand die gedurig op wandel is. (L. Lievevrouw-Coopman: Gents Woordenboek. 1950)
• Wandelende Jood, De -, wijsgerige roman van August Vermeylen: Ahasverus is de moderne mens, die voor zijn geloof zekerheid en voor zijn gevoel bevrediging zoekt; ‘beeld van de geschiedenis van een ziel’; 1906. Ahasverus komt het eerst voor in een D. Volksboek van 1602. zie Ahasverus. Studie over de W.J. in volkskunde en letterkunde van J.J. Gielen, 1931. De W.J. ook in 't volkslied; zie Kossmann, Straatzanger, blz. 73 en 158. (K. ter Laan: Letterkundig woordenboek voor Noord en Zuid. 1952. Tweede druk)
• Heymans (Hebe), een Jood, had een opvallend lange hals en een krop. Een bijzonder sarcastische student (een van de aangeduide prospectieve zelfmoordenaars) noemde hem de seksuele misstand ‘omdat zijn kloten in zijn keel waren geschoten’. Zijn tweede bijnaam was: De Wandelende Jood, omdat hij zo lang was en zulke grote passen nam. (Apie Prins: Ik ga m’n eige baan. 1963)
• Dit laatste liedje gaat overigens over een balling die sterft met de naam van zijn land van herkomst op de lippen - heel toepasselijk voor een zelfverklaarde 'wandelende jood' die in Montreal geboren werd. (NRC Handelsblad, 03/11/2001)