(19e eeuw) (sch.) iemand die veel nieuwtjes weet, over veel feitenkennis beschikt; een veelweter en vandaar ook spottend of denigrerend voor een betweter; iemand die voortdurend met de neus in de boeken zit. Niet altijd negatief. Het bijvoeglijk naamwoord ‘wandelend’ wordt hier gebruikt om levenloze zaken te verpersonifiëren. Vgl. Duits: Ein wandelndes Konversationslexikon.
• Als het zoo voortgaan moet met die gezegende ontwikkeling, dan zien wy den dag genaken, dat het spelen zuiver leeren zal worden: dat een jongsken van zeven, wandelend encyklopedietjen, het druk zal hebben, ... met reken- en aardrijkskunde ..., physica, mathematiques, geodesie, chemie, oeconomie politique. (De Génestet: Over Kinderpoëzy. 1865)
• En dan is er een kerel -Parry- een Australiër, een statisticus en een wandelende encyclopedie. (het Volk, 12/05/1916)
• Voor verdere inlichtingen informere men bij het nieuwsbureau Loeki Henselmans, gespecialiseerd in sex-stories. Dat kind is een wandelende encyclopaedie. Waar ze 't allemaal vandaan haalt weet ik niet, maar er is geen technisch detail of pikante afwijking, of zij weet er alles van. (Han B. Aalberse: De liefde van Bob en Daphne. 1955)
• ‘U lijkt wel een wandelende encyclopedie,’ zegt mevrouw Van Santen bewonderend. (Jan Wolkers: De kus. 1977)
• ,,Bij Ajax noemen ze me 'wandelende encyclopedie'. Ik word veelvuldig geraadpleegd. Spelers die hun cv willen inkijken, bestuursleden op zoek naar leuke anekdotes voor een speech. (NRC Handelsblad, 02/03/2000)
• Op het stadhuis noemen collega’s hem een ‘wandelende encyclopedie’. Alles, echt álles weet hij van integratiebeleid. (Nieuw Rotterdams Tij, editie 3, jaargang 2004)
• Fleur was de intellectueel onder de zussen, de ‘omgevallen boekenkast’ of ‘wandelende encyclopedie’, zoals de familie haar wel noemde. (Renée Olsthoorn: De Franse slag. 2017)