(19e eeuw, vero.) lichte maaltijd, zonder daarvoor aan tafel te gaan.
• De woorden door haar oom bij hun eerste ontmoeting gesproken: alsof men zich ter wille van haar ontberingen had moeten getroosten indien zij langer bij juffrouw Marnix gebleven ware, die woorden zijn den vorigen avond weldra bij haar door andere indrukken en herinneringen verdrongen geworden; dezen morgen echter, aan de ontbijttafel, terwijl oom een tableau vivant van een wandelende boterham vertoonde, hebben een paar zonderlinge uitdrukkingen ze haar opnieuw zeer levendig in herinnering gebracht, en heeft eensklaps een bitter nooit gekend gevoel - het gevoel eener algeheele afhankelijkheid, zich van haar meester gemaakt. (J.J. Cremer: Romantische werken. Deel 6: Anna Rooze. 1879)
• Met het biljartspel en de wandelende boterham was het voor goed uit, en ook de naam der bijeenkomsten had geen genade gevonden. (Marcellus Emants: Jong Holland. 1881)
• Dit avondfeest droeg overigens een eenvoudig karakter... een pasteitje en een wandelende boterham. ‘Instuif’ noemde men het, schoon niemand instoof, alle aanwezigen degelijk waren uitgenoodigd. (De Gids. Jaargang 88. 1924)
• Wandelende boterham: ooit gangbare omschrijving van een (lichte) maaltijd, gebruikt zonder daarvoor aan tafel te gaan. Hoort in dezelfde tijd als de aangeklede pijp (Het vrije volk, 15/10/1990)
• 's Avonds voor het slapengaan eten veel mensen nog een boterham, wat begrijpelijk is als je al zo vroeg hebt gedineerd. Een echt souper wordt de late maaltijd maar zelden. Ook ter afsluiting van een avond-theevisite suggereert een raadgeefster als mevrouw De Holl in 1910 een ‘wandelende boterham’. (Ileen Montijn: Leven op stand. 1890-1940. Gepubl. 1998)