1) (1599) (plat) vrouwelijk (maar ook: mannelijk) geslachtsdeel. Dit woord vormde ook de basis voor werkwoorden als 'votsen' en 'vozen' (copuleren).
• Stop ‘m in me vot. Schatje, toe nou, raak ‘m! (Jan Cremer: Ik Jan Cremer. Tweede Boek. 1966)
• (Hans Heestermans: Erotisch Woordenboek. 1980)
• (Robert Henk Zuidinga: Eroticon: het ABC van de erotiek. 1990)
2) (19e eeuw) (inf.) aars, achterste, billen. In talrijke uitdrukkingen: iemand op de blote vot slaan; geen vot meer in zijn broek hebben (broodmager zijn); geen zittende vot hebben.
• De handel ligt zijn vot (of op zijn gat). (F.A. Stoett: Nederlandse spreekwoorden, spreekwijzen, uitdrukkingen en gezegden. 1906)
• Vot v. z. n., achterste, gat, er is op zen — gevalle. (C. Breuls: Vademecum handelend over Maastrichtsch dialect. 1914)
• Lambert deed of hem de neus bloedde en pas toen de lange Peter hem toevoegde, dat hij geen schop onder zijn vot waard was.... (Jacques Schreurs: Kroniek eener parochie. 1941)
• Geef ons een stuk Van 't varken zijn vot. (Lucy Gelber: Encyclopedie van het levende Vlaamse volkslied. 1983)
• Dèè hit geen zittende vot. (Jef Remans: Genker spreekwoorden, gezegden en uitdrukkingen. 2006)