(1932) (Barg.) verraden; verklikken. Vgl. brengen*; brieselen*; doorkleunen*; doorslaan*; kleunen*; loenen*; moselen*;omkleumen*; omslaan*; sliegemen*; verknoesen*; verkotsen*; verlinken*; vermamsen*; vermasseren*; versliegeren*; versmiegelen*.
• ... en geen knul die de zaak verloende. (B. Stroman: Stad. 1932)
• ‘Waar zit Gijs toch?’
‘Gijs? In de lik natuurlijk, verloend door z'n eigen maat, anders een jovel overlegd zaakie. (Jef Last: Partij remise. 1933)
• Niks verloene, hoor! (Anne de Vries: Jongens van de straat. 1934)
• As ie je wou verloene, had ie 't allang gedaan en liep ie hier nou niet naast me te ouwehoere en in je broek te floddere. (Willem van Iependaal: Polletje Piekhaar, 1935)
• Ook hij is er van overtuigd, dat Sjeek ons verloend heeft. (Willem van Iependaal: Lord Zeepsop. 1937)
• (E.G. van Bolhuis: De Gabbertaal. 1937)
• Nooit jajemen over een zakie en vooral niet de boel verloenen. (Anne de Vries: Ratje, een jongen van de straat. 1955)
• (Enno Endt & Lieneke Frerichs: Bargoens Woordenboek. 1974)
• Straks kan Arie nergens meer binnenglippen of er staat zo'n werkloze gluurder, zo'n niksnut nog m'n bijverdienste te verloenen. (Leo Derksen: 'n Aap op 'n fiets. 1987)
• (Van Dale Modern Bargoens Woordenboek. 2009)
• (Paul Van Hauwermeiren: Bargoens zakwoordenboek. 2011)
• (Paul van Hauwermeiren: Bargoens. Vijf eeuwen geheimtaal van randgroepen in de Lage Landen. 2020)