(19e eeuw) (cliché) erg lang; zonder onderbreking. Reeds in het Spreekwoordenboek van Harrebomée. Variant: van eeuwigheid tot zaligheid.
• Wanneer men iets zal afwerken, dat te lang duurt, dan zegt men al spoedig: daar is geen einde aan, dat gaat van eeuwigheid tot amen. (Taalkundig magazijn, of Gemengde bijdragen tot de kennis der Nederduitsche taal. Volume 2. 1837)
• Om aan te duiden , dat iets zeer lang duurt, zegt men wel: van eeuwigheid tot amen, — vooral als men tevens het vervelende van die langdurigheid uitdrukken wil , een gezegde , dat al even dwaas is, als de spreekwijze van Pontius ... (Eliza Laurillard: Opgave en toelichting van spreuken of gezegden in de volkstaal: aan den Bijbel outleend. 1875)
• Van eeuwigheid tot amen. Altoos hetzelfde; langdurig en vervelend. Mogelijk zonder eigenlijke bedoeling ontleend aan de slotwoorden van het „Onze Vader", Matth. 6:13, of aan Rom. 11: 36. (Dr. J. Herderschee: Namen en spreekwijzen aan den bijbel ontleend. 1911)
• "Je moet dat ethisch zien George," zei ik, "iets is pas dan goed als je vindt dat het zich mag herhalen van eeuwigheid tot amen, en slecht als je dat niet vindt." (Willem Brakman: Een weekend in Oostende. 1982)
• Veel beter had ik het daar kunnen laten staan, van eeuwigheid tot amen en zelf alleen op de trein naar Amsterdam kunnen stappen. (W.F. Hermans: De donkere kamer van Damokles. 1991)