(16e eeuw) (euf.) begraven. Het WNT citeert o.a. E. Gallus (Dictionariolum latinogermanicum . 1556): “Effero, ic drage wt, of bestade totten graue.”
• Wat mij betreft, ik herinner mij nog levendig, hoe een oogenblik vóór het uitdragen van het lijk mijn oom, terwijl vele bloemkransen het huis werden ingedragen, tot zulk een hoogte van nerveuze opwinding was gestegen, dat wij - de neven - niet wisten, hoe hij weer tot kalmte zou komen. (tijdschrift Onze Eeuw. Jaargang 12. 1912)
• Eufemismen voor begraven zijn: ter aarde bestellen, uitdragen, wegbrengen, naar zijn laatste rustplaats brengen, onder de groene boompjes brengen (Camera Obscura), de laatste eer bewijzen; voor begraafplaats: Godsakker of dodenakker; voor lijk: het stoffelik overschot, het stoffelik omhulsel, het ontzield lichaam. Eigenaardig is, dat het woord lijk zelf oorspronkelik een eufemisme was, want de oude betekenis is: lichaam. (De Nieuwe Taalgids. Jaargang 14. 1920)
• Gelukkig trad spoedig een heer in het zwart binnen. Hij hield even ruggespraak met Dubekart en deze gaf toen het voorbeeld door langzaam de kamer te verlaten. We begrepen dat het beslissende ogenblik gekomen was! Dubekart leidde ons allen door de achtergalerij tot daar waar we getuige konden zijn van het uitdragen van tante Sophie. (Rob Nieuwenhuys: Vergeelde portretten uit een Indisch familiealbum. 1990)