Woordenboek van Populair Taalgebruik

Marc De Coster (2020-2024)

Gepubliceerd op 12-03-2022

tweede gezicht

betekenis & definitie

(1937) (Barg.) gat, achterste.

• Tweede gezicht: achterste. Zij kreeg flink op haar tweede gezicht. (E.G. van Bolhuis: De Gabbertaal. 1937)
• En as te bliksem nam ie dat stuk ellende te graze en heit ie ’m z’n tweede gezicht toch hardstikke gloeiend geslage! (A. Mineur: Echt Rotterdamsch! Schetsen uit straat- en volksleven der oude Maasstad. 1941)
• (Paul van Hauwermeiren: Bargoens. Vijf eeuwen geheimtaal van randgroepen in de Lage Landen. 2020)

< >