Woordenboek van Populair Taalgebruik

Marc De Coster (2020-2024)

Gepubliceerd op 11-04-2023

turken

betekenis & definitie

1) (1985) (jeugd) schoonmaakwerk verrichten. Eigenlijk: onmenselijk behandeld worden.

• In het aprilnummer somt W. Sterenborg op blz. 40 een aantal interessante Nederlandse woorden en uitdrukkingen op, die aan het Turks zijn ontleend of op Turken betrekking hebben. Vaak hebben die laatste een negatieve strekking. Zo meldt Sterenborg: 'vroeger betekende turken: kwellen, treiteren, ofwel: zich gedragen als een Turk, razen en tieren'. Dit woord heeft een onaangename herleving gekregen. Op een middelbare school moeten lastige knapen soms als straf schoonmaakwerk doen op een vrije zaterdag. Heel gewoon heet dat in hun jeugdtaal 'turken'. 'Turken' is dan: het werk doen dat eigenlijk alleen door gastarbeiders, door Turken, wordt verricht. Meestal geschiedt dit werk weliswaar door Marokkanen. Maar kennelijk is het woord 'turken' gemakkelijker dan iets als 'marokkaneren'. Blijkbaar bestond het woord 'turken' al eerder in onze taal, en krijgt het nu een herleving. In elk geval opnieuw als een teken van racistische tendenzen en vooroordelen in de taal van een volk, dat zichzelf zo bij uitstek tolerant waant. (Onze Taal, juni 1985)

2) (1991) (jeugd) in een Turks restaurant gaan eten. Vgl. chinezen; marokkanen*.

• (C.A.J. Hoppenbrouwers: Jongerentaal: de tipparade van de omgangstaal. 1991)

3) (1810) (inf.) treiteren; onmenselijk behandelen.

• Turken hangt natuurlijk samen met de hebbelijkheid der Turken om hun medemenschen niet altijd even humaan te behandelen. (Taal en letteren. Volume 10. 1900)
• ‘D'r af, klein monster!’ gebood hij. ‘Laat een ander maar weer eens door jou geturkt worden.’ (Joh. H. Been: De zwerftochten van Kakkerlak. 1921)
• Ik had de pest aan een jongen in mijn klas, Geert heette hij; ik was bang voor hem, dat wist hij, daarom turkte hij me graag: hij kon het doen, want hij was een kop groter dan ik. (Johan Fabricius: Met klein orkest. 1971)