Woordenboek van Populair Taalgebruik

Marc De Coster (2020-2025)

Gepubliceerd op 23-07-2021

Tinus Tussengas

betekenis & definitie

(1972) (sch.) iemand die zich ongevraagd met iets bemoeit: 'Hóór hem: Tinus Tussengas'. Variant: Tinus Plotseling. Eigenlijk: de tuinman en boswachter in de verhalen van Pietje Puk.

• Uw opmerking vroeg om een veroordeling, dat moest U als politicus toch weten. En of die veroordeling nu is gekomen van Tinus Tussengas, Ben Verbrugge of een ander onbeschaamde pasgekomene, doet niet terzake. (Amigoe di Curacao, 20/10/1972)
• Behalve Toni zelf maken van dit clubje vier lolbroeken deel uit die luisteren naar de namen Tinus Tussengas, Hommeltje, Boris Beuker en Jampie Keu. (Leeuwarder courant, 07/10/1976)
• Hóór hem: Tinus Tussengas (Tinus Plotseling, Janus Eensklaps). (Inez van Eijk: Ik zeg maar zo, ik zeg maar niks. 1978. Vierde druk. 1980)
• (H. Mullebrouck: Vlaamse volkstaal. 1984) p. 185
• Hóór hem: Tinus Tussengas/Tinus Plotseling/Janus Eensklaps
/Jantje Bemoeial. (Inez van Eijk: Als m'n tante een snor had... Meer dan 8000 gelijkhebbers, afhouders, dijenkletsers en andere uitdrukkingen uit de Nederlandse taal. 1995)
• Qua persoonsnamenscherts heb je ook de totaal verzonnen namen, zoals Tinus Tussengas voor iemand die ongevraagd een mening geeft. Tinus Tussengas was eigenlijk de tuinman en boswachter in de verhalen van Pietje Puk.... (Arie Bras,Wim Daniëls: Dakhazen en bretelpiano’s. 2012)
• Andere nepnamen in de jaren vijftig waren: Tinus Tussengas (gebruikt voor iemand die een opmerking tussendoor maakt die nergens op slaat), (Wim Daniëls: Mieters. De taal van de jaren vijftig. 2012)

< >

Gebruik je Ensie vaker?

Word nu vriend voor slechts €8,95.

Word vriend