(1920) in scheldwoorden als 'een slappe Tinus': een futloos persoon; slappeling; vent van niks; een luie Tinus: een luiaard; een zekere Tinus: een nauwgezet iemand die daardoor ook langzaam te werk gaat; een onhandige Tinus: een onhandig persoon; een rare Tinus: iemand die zich zonderling gedraagt. Mogelijk bestaan er nog toepassingen. Tinus is de volkse naam van zowel Martinus als Augustinus. Uit het Bargoens kennen we 'Tinus-an-de-rekstok' voor een kruisbeeld. Bij de NS werd de stoomlocomotief uit de serie 2100 vroeger schertsend 'blikken Tinus' genoemd.
• De meneer van "The Brads" is een kostelijke gladjanus of te wel Slappe Tinus. (het Vaderland, 17/12/1920)
• En of de slappe Tinus van een schilder, die met doorgezakte knieën door de elegant gesty-leerde bladzijden van dit boek heen wandelt, op veler sympathie
mag rekenen, valt wel te betwijfelen. (de Groene Amsterdammer, 03/12/1927)
• De Blaricummers die voorbijgaan zijn allen in zon- en zomerstemming en moeten noodza-kelijk wat zeggen als zij mij zien zitten. Gyp met haar schelle stem - 'morrege, meneer, hejje 't weer zoo druk, slaap je nooit neit' -, Gerrie met haar mooie zwarte oogen en haar - geluk-kig nog - dikke donkere vlecht, blonde Coba, magere Marrie, de schommel Mie, een schat-rijke boerin, die hier elk jaar vier breipennen komt leenen en 's morgens vroeg de vuilnisva-ten in de buurt nazoekt en elk doosje, dat zij vinden kan in haar breede boezelaar meesleept, bang is voor een koptelefoon en alles aan de Kerk vermaakt heeft, malle Tinus met artisten-haren, zijn trompet en ongewasschen handen, gekke Bertus met het uiterlijk van een tienja-rigen jongen en de stem van een zwarten baard, Wim van de bakker, Heintje Puick met haar vier snoeren bloedkoralen en zwaar gouden boot tusschen een frisch-gewasschen bellefleu-ren gezicht en haar prachtig donkergroene greinen jurk... ze wenschen allen luidruchtig 'Goeije morgen' en worden luid beantwoord. (Aegidius W. Timmerman: Tim's herinneringen. 1938)
• .... en ik wou tegenover Goof geen slappe Tienus wezen. (Willem van Iependaal: Bef boef bajes. 1952)
• Men ziet, dat hij zijn aard niet verloochende: een slappe tinus, gebakken van deeg, waarin de krenten der liefde schaars gezaaid zijn. (Toon Kortooms: Mijn kinderen eten turf. 1959)
• Die elleboog zal voor de rest van je leven wel een slappe Tinus
blijven. (Meyer Sluyser: Door storm en duisternis: avonturen van Dirk Poldervaert. 1962)
• Aan de galg met alle lammelingen! Met alle slappe tinussen! (L. F. Celine: Reis naar het einde van de nacht. Vertaling E. Y. Kummer. 1968)
• Daar heb je nou weer zo'n psychiater, wat 'n slappe Tinus, denk ik.... (Johan Fabricius: Voorrijden, mevrouw? 1969)
• Idealistisch.... misschien wel zo'n slappe Tinus van een vegetariër. (Johan Fabricius: Partnerruil niet uitgesloten. 1972)
• Tinus Plotseling: onevenwichtig persoon. (Opoe Herfst. Samengesteld door reclame-adviesbureau Advertising Marketing + Design, Rotterdam. 1973)
• Tussen hem en Daatjes dochter ontstaat in de eropvolgende dagen zelfs héél iets van een romance, maar die duurt, zoals bij alle slappe Tinussen, slechts enkele seconden. (Gerrit Komrij: Daar is het gat van de deur. 1974)
• Tinus, mannennaam, in de zegsw. ’n drouge Tinus, een droge, nuchtere, laconieke persoon. – ’n Gore Tinus, een smerige, laaghartige kerel. – ’n Zekere Tinus, een overdreven nauwgezet persoon. 2. Iemand die zeer lijzig of afgemeten praat. – ’n Makkeleke Tinus, iemand die zorgeloos is, zich niet gauw druk maakt, zeer slordig of gemakzuchtig is. – ’n Rare Tinus, een rare sinjeur. – Wat ’n Tinus, wat een rare sinjeur. (Jan Pannekeet: Westfries woordenboek. 1984)