(17e eeuw, vero.) cipier.
• De vrouw en de haren verlieten hem mistroostig en met het verwijt, dat zij zich in hem, even als in alle anderen, hadden bedrogen. Doch hoe slecht het met de zaak van den gevangene stond, hoe naauw deze werd bewaakt, in spijt van cipier en stokbewaarder, ontving hij een geheim berigt en daarbij eene zeer dunne sterke lijn in zijnen kerker. (Willem van Swaanenburg: De vervrolykende Momus, of koddige berisper. 1727)
• ‘Den Stokbewaarder zult gij spreken, indien gij niet spoedig zitten gaat of u vanhier pakt,’ zeide de dienaar, zijn roede opheffende, en hen daarmede dreigende, zoodat zij van schrik terugdeinsden. (Jacob van Lennep: Romantische werken. Deel 20. Vertellingen en tafereelen van vroeger en later tijd. 1868)
• Stokbewaarder: 'cipier'. Synoniem dat dateert uit de 17e eeuw. Stok was een volkse omschrijving van het houten blok met openingen voor de benen, waarin misdadigers werden vastgezet. (Het vrije volk, 10/09/1990)