Woordenboek van Populair Taalgebruik

Marc De Coster (2020-2025)

Gepubliceerd op 28-12-2022

stofzuigen

betekenis & definitie

1) (1987) (televisie) rondneuzen met de camera.

• Stofzuigen: met de camera rondneuzen. (Ot Louw: Beeldspraak. Termen uit het film- en videovak. 1987)

2) (2014) (Amsterdam, straattaal) fellatio beoefenen, pijpen.

• (Hans Heestermans & Ditte Simons: Mokums woordenboek. 2014)

3) (1991) (voetb.) onvermoeibaar over het veld lopen om de bal proberen te veroveren. Zie ook: stofzuiger*.

• Met termen als bikkelaar, dribble, breekijzer, puntertje, eentweetje, inswinger, kick-and-rush, knietje, overstapje, pingel, stofzuigen op het middenveld, waterdrager en de patatgeneratie van Leo Beenhakker, de Ajax-coach die verliefd is op de Cup met de grote oren, vormt het voetbal de 'hofleverancier' waar het de sporttaal betreft. (NRC Handelsblad, 25/05/1991)

< >