Woordenboek van Populair Taalgebruik

Marc De Coster (2020-2025)

Gepubliceerd op 16-05-2021

sokkenboer

betekenis & definitie

(1978) (sold.) bijnaam van de foerier, de persoon die binnen het leger zorgt voor de verdeling van uniformen en schoeisel. Tegenwoordig ook: iemand die sokken (en ondergoed) verkoopt. Vgl. asfaltboer*; betonboer*; beugelboer*; boutenboer*; centenboer*; frontboer*; gasboer*; grindboer*; hemelboer* enz.

• (Henk Salleveldt: Het woordenboek van Jan Soldaat. 1978)
• (Wim Daniëls: Boerenwoordenboek. 2008)
• In het leger is 'boer' altijd een heel productief woord geweest, zoals ook blijkt uit de volgende woorden: kanonnenboer (artillerist), sokkenboer (foerier), stekkerboer (centralist: iemand in het leger die op de meldkamer of telefoonkamer werkt)... (Arie Bras,Wim Daniëls: Dakhazen en bretelpiano’s. 2012)
• Maar ter zake: sokken dus, daar had ik het over. Twee maanden geleden alweer maakte ik mijn pelgrimage naar de sokkenboer. (Martin Bril: Wat een man nodig heeft. 2012)

< >