1) (1990) (Rotterdam) (politie) dronken automobilist.
• Ter verduidelijking een voorbeeld: is het zojuist genoemde 'een zesentwintiger' de landelijke vakterm; het Rotterdamse jargon kent daarnaast voor een dronken automobilist het woord 'sok'. (Leo Van Heijningen: Politietaal. 1990)
2) (1914) (jagers) zie citaat.
• Sok: 1) 't onderste deel van den achterpoot van een haas of konijn; 2) op de sokken zijn, loopen van haas en konijn. (Jacobus van Ginneken: Handboek der Nederlandsche taal. Deel II. De sociologische structuur onzer taal II. 1914)