Woordenboek van Populair Taalgebruik

Marc De Coster (2020-2025)

Gepubliceerd op 29-06-2023

sok

betekenis & definitie

1) (1990) (Rotterdam) (politie) dronken automobilist.

• Ter verduidelijking een voorbeeld: is het zojuist genoemde 'een zesentwintiger' de landelijke vakterm; het Rotterdamse jargon kent daarnaast voor een dronken automobilist het woord 'sok'. (Leo Van Heijningen: Politietaal. 1990)

2) (1914) (jagers) zie citaat.

• Sok: 1) 't onderste deel van den achterpoot van een haas of konijn; 2) op de sokken zijn, loopen van haas en konijn. (Jacobus van Ginneken: Handboek der Nederlandsche taal. Deel II. De sociologische structuur onzer taal II. 1914)

< >