(19e eeuw) (inf. en beledigend) Jiddisch. Zie ook: smous*; de smous is in de schouw; 't lijkt hier wel een smousenkerk.
• De schaftklok heeft reeds lang geluid, zei van Beveren, en onze tafel wordt maar niet gedekt. Wij eten maar een boterham, antwoordde zijne vrouw min of meer verlegen. Die kost is mij niet vreemd, vrouw! als ge iemand trakteren wilt, raad ik u, hem niet bij een broodbakker te brengen; maar ge hebt nog eenige pooten en vlerken van de kapoenen? - De dienstboden hebben ze afgekloven; ach! zij hebben van middag zoo smakelijk gegeten. Dat wil ik waarachtig wel gelooven, zei van Beveren, een halve terrine vermicellisoep en een pond kapoenenvleesch is voor zulk volkje beter dan smousentaal. (A. Gijsberti Hodenpijl: Willem van Bergen, student aan de Leydsche hoogeschool. 1842)
• Smous, M., smousen. Smousentaal, -winst. (J.H. van Dale: Taalkundig handboekje. 1995)