Woordenboek van Populair Taalgebruik

Geschreven door Marc De Coster. Uitgegeven op Ensie in 2020.

Gepubliceerd op 07-04-2022

semi

betekenis & definitie

(1903) (stud.) semi-artsexamen.

• Hij was 'n dag of veertien al weer terug in Amsterdam. Op den hoek van den Amstel en den Kloveniersburgwal had-ie kamers genomen, 't Verveelde 'm eiken morgen eerst dat gestommel in dien trein. Rustig lag-ie nog even in z'n bed. 't Was wat laat geworden op de soos gisteravond. Een van de lui had semi gedaan en nou hadden ze 'n beetje lang gefuifd. (Het volk, 09/08/1903)
• O, de blijdschap, het hoogheidsgevoel, het diep besef van verantwoordelijkheid, het zelfvertrouwen en daarna de angst en de beschaming ! Als ik daar nog eens aan denk Het was zóó: In 't voorjaar «semi" gedaan. Sindsdien een pedant heer. Nog één stapje: het tweede deel van 't arts-examen en dan stond de heele wereld voor me open. (De Preanger-bode, 14/01/1909)
• Ik was toen student in de medicijnen , had juist mijn semi gedaan. (De Katholiek. Volume 150. 1916)