Woordenboek van Populair Taalgebruik

Geschreven door Marc De Coster. Uitgegeven op Ensie in 2020.

Gepubliceerd op 18-04-2021

schoven

betekenis & definitie

(1921) (Barg.) (uit)betalen. In uitdrukkingen als 'dat schooft goed' (dat brengt heel wat geld op) en 'wat schooft het?' (wat levert het op?). Onder Amsterdamse veemarbeiders betekende schoven `zijn loon in ontvangst nemen'. Volgens een artikel `De Taal der Amsterdamse veemarbeiders' (De Nieuwe Taalgids 32, 1938) zou dit Bargoense werkwoord van origine schipperstaal zijn. In het Noord-Hollands bestond (bestaat?) een werkwoord schoven in de betekenis van `tellen', speciaal van vis. Endt en Frerichs (Bargoens Wdb.) denken aan een etymologisch verband met schuiven (Bargoens voor `betalen').

• Voor de rest is 't voor mij "zitten", "afnokken" en schoven". (Leeuwarder Courant, 09/05/1921)
• Voor men naar huis gaat, gaat men evenwel eerst ‘schoven’, zijn loon in ontvangst nemen. Karsten, in zijn boek over het Drechterlands, noemt het ‘schipperstaal’. In het noordhollands bestaat trouwens ook een ww. schoven in de betekenis van ‘tellen’, speciaal van vis. (De taal der Amsterdamse veemarbeiders. In: De Nieuwe Taalgids 32. 1938)
• Jij altijd met je kuren! Hij schooft tenminste! (Jef Last en Harry Wilde: Kruisgang der jeugd. 1939)
• Ja, zo'n schuit met hout dat schooft goed, er valt een lieve duit aan te verdienen. (Jan Mens: De Gouden Reaal. 1940)
• Schoven, betalen. (Maurits Dekker: Amsterdam bij gaslicht. 1949. Woordenlijst achteraan)
• (Enno Endt & Lieneke Frerichs: Bargoens Woordenboek. 1974)
• Straks een goeie trek, dan wordt het hier schofen geblazen, met de man twee borrels in een kommetje. ’t Zit wel goed. (Catalijn Claes: Zilveren zielen. 1978)
• (Paul van Hauwermeiren: Bargoens. Vijf eeuwen geheimtaal van randgroepen in de Lage Landen. 2020)