Woordenboek van Populair Taalgebruik

Marc De Coster (2020-2025)

Gepubliceerd op 11-08-2025

schoolvos

betekenis & definitie

(19e eeuw) (spot.) pedante leraar die voortdurend fouten wil verbeteren. Syn.: frik*.

• De nieuwe professor was een vrij stijf en pedant man, droeg zelfs in den zomer een met vossenvel gezoomden mantel, en daar hij van eene school kwam, gaven de spotzieke studenten hem den bijnaam van schoolvos.... (De huisvriend: gemengde lectuur voor burgers in stad en land. 1853)
• Dat boekje was olie in 't vuur, en, zwegen de taaikenners — eene gansche schaar van rijmelaars stond op, om het Hollandsch tegenover het Friesch, de Hollandsche geleerden tegenover den Frieschen schoolvos te verdedigen, en den laatsten aan alle smaad en schimp ter prooi te geven. (Nieuw Archief voor Nederlandsche Taalkunde. 1855)
• Dat was krasse taal, misschien erger dan z’n vloeken en genadeloos offensief tegen schoolvossen, roofridders en Jezuiten. (Willem van Iependaal: Petrus in dubio. 1947)
• Schoolvos. Onderwijzer. (Puzzel Vademecum. Deel 1. 1979)

< >