Woordenboek van Populair Taalgebruik

Geschreven door Marc De Coster. Uitgegeven op Ensie in 2020.

Gepubliceerd op 13-04-2021

scherprechter

betekenis & definitie

(1984) (wielr.) col of helling waar de vermoeide renners moeten afhaken tijdens de beklimming. Alleen de sterksten blijven over. Fransen gebruiken naast de benaming 'juge de paix' ook nog het woord 'magistrat' in dezelfde betekenis. In het DS-Magazine-citaat is de benaming toegepast op de schaatssport.

• De Muur van Geraardsbergen, een heiligdom van het wielrennen, de kwaadste scherprechter in de Vlaamse klassiekers. (Tim Krabbé: 43 Wielerverhalen, 1984)
• De Koppenberg: weer de eerste scherprechter. (Sport 80, 10/04/1984)
• De Mont Ventoux is immers veel te slecht gesitueerd om hem als scherprechter in de voornaamste wielerwedstrijd van het jaar te laten gelden. (Robert Janssens: Vreugde en Verdriet in de Tour, 1985)
• Hiermee maken ze toespeling op het ontbreken van een scherprechter tussen de top van Les Forges, en de aankomst op de boulevard de la Sauvenière. (Sport 80, 15/04/1987)
• In de Ronde van Vlaanderen is de Oude Kwarimont meestal de scherprechter. (Vrij Nederland, 07/05/1988)
• Ook het parkoers werd gewijzigd. Stockeu, één van de scherprechters nochtans, en Mont Theux werden uit de wegwijzer geschrapt en vervangen door o.m. de côte de Lorcé en de Fraiture, die dichter bij de aankomst zijn gelegen. (De Morgen, 14/04/1990)
• Elfstedenrijders kennen Bartlehiem als `de hel van het Noorden', de meedogenloze scherprechter in de barre tochten van 1940, 1947 en 1963. (DS Magazine, 10/01/1997)
• ... de korte rit van de dag erop (met de bergen Glandon en Courchevel van de eerste categorie en de Madeleine buiten categorie) functioneert op papier als meedogenloze scherprechter. (Trouw, 04/07/1997)