Woordenboek van Populair Taalgebruik

Marc De Coster (2020-2024)

Gepubliceerd op 17-05-2024

schaverdijnder

betekenis & definitie

(17e eeuw, vero.) (Vlaanderen, reg.) schaatser. Een schaverdijn is een schaats of een schoen met lange punt. Schaverdijnen is schaatsenrijden. Wellicht ontstaan onder invloed van 'schaven'. Het WNT geeft een vindplaats uit 1657: "De Stad geharnast, aan den voet, Met ysre vleuglen, vlieght te moet, En schaaverdynt voor wind voor by de melksters, en dien langen ry."

• Schaverdijnder, m. Een die schaverdijnt, fr. patineur. (Leonard Lodewijk de Bo: Westvlaamsch Idioticon. 1873)
• Dàt is overigens het realismus van de grootste onzer meesters, zoo in schilderkunst als elders, en men hoeft maar een oogenblik stil te houden voor eenen Wintervan Schelfhout, b.v., om te zien hoe, bij de trouwe weergeving der besneeuwde veldhut, met kegels aan het strooien dak en beijzelde vensterruiten, der naakte boomentoppen, bevrozen vijvers en levensblije schaverdijnders, de min gloeiende winterzonne de slapende natuur komt bezielen met een hooger licht: het licht der Godheid! (De Vlaamsche Kunstbode. Jaargang 8. 1878)
• 'k He' van de winter leeren beentje leggen aan eenen goeden schaverdijnder. (Guido Gezelle: Loquela. 1881)
• Ginds, op het ijs, daar beneden onder de brug, woelen en krioelen de schaverdijnders. (De Tijdspiegel. Jaargang 38. 1881)
• Hooge klemmers,
verre zwemmers,
zeere schaverdijnders op het ijs,
en zijn altegare niet wijs. (Biekorf. Jaargang 3. 1892)
• Schaverdijnder, z. nw., m.. = Die schaatst. (Amaat Joos: Waas Idioticon. 1900)
• De vertalingen van De Wilgen, Een bonke keerzen, Kind; 't Edele spel der vlugge schaverdijnders, Schuldeloos blommeke lief en Blijde kinderen, zijn bijzonder geslaagd. (Dietsche Warande en Belfort. Jaargang 1901)
• Wij schaverdijnden, en Gezelle was onze koning. ‘Hij hing gelijk een waaiende pluime op zijn stalen schoe.’ Met kromme beenen wikten en waagden wij achter hem, en 's anderdags mocht ik lezen: Van 't edele spel der schaverdijnders. (Hugo Verriest: Voordrachten. 1904)
• Alzoo vliegt de schaverdijnder, vliegt de vlugge schaatsenrijder. (Guido Gezelle: Gedichten, gezangen, gebeden en kleengedichtjes. 1910)
• Maar bij Jermolijn’s wete zijn er geen hachelijke kranken in het dorp of in de contrei of er moest één ramp overkomen. Per exempel: een schaverdijnder zwiert zich in een wak en versmacht. (Jan H. Eekhout: Jermolijn. 1944)
• En of hij nu gebaarde niets te horen, of frank terug antwoordde, 't hielp allemaal niets. Ze lachten met zijn zenuwachtig doen, lachten met wat hij zei, lachten met zijn pinnekensneus, zijn schuwe vogeloogskens en zijnen schuivenden schaverdijndersgang. (Antoon Thiry: Voghelen in der muyte. 1949)